Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1062

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
16/4857 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening van intrekking bijstand na opschorting. Geen nova. Geen evidente onredelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4857 WWB

Datum uitspraak: 14 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

7 juni 2016, 15/4708 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het Dagelijks Bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur )

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2017. Appellante is verschenen. Het dagelijks bestuur is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van een periodieke hercontrole heeft het dagelijks bestuur appellante bij brief van 5 juni 2009 uitgenodigd voor een gesprek op 11 juni 2009 en haar verzocht de in de brief genoemde stukken, waaronder financiële gegevens van de [naam stichting] (Stichting), waarvan appellante de enige bestuurder is, te overleggen. Appellante is verschenen en heeft daarbij een deel van de gevraagde stukken overgelegd. Bij besluit van

26 juni 2009 heeft het dagelijks bestuur op grond van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand met ingang van 11 juni 2009 opgeschort en appellante in de gelegenheid gesteld om vóór 9 juli 2009 alsnog de ontbrekende stukken te overleggen.

1.2.

Bij besluit van 20 juli 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 augustus 2010, heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 11 juni 2009 ingetrokken, omdat appellante de gevraagde gegevens van de Stichting niet tijdig heeft verstrekt. Bij uitspraak van 22 maart 2012 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2010 ongegrond verklaard. Bij de uitspraak van

6 november 2012 heeft de Raad het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Appellante is medio 2010 verhuisd van de gemeente Bilthoven naar de gemeente

’s-Hertogenbosch en ontvangt sindsdien in de gemeente ’s-Hertogenbosch bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet.

1.4.

Bij brief van 14 juli 2014 heeft appellante verzocht om herziening van het besluit van

20 juli 2009.

1.5.

Bij besluit van 22 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 juli 2015 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur het verzoek om herziening afgewezen. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat er geen gewijzigde omstandigheden of nieuw gebleken feiten zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellante van 14 juli 2014 strekt ertoe dat het dagelijks bestuur terugkomt van zijn, in rechte onaantastbaar geworden, besluit van 20 juli 2009. Het dagelijks bestuur heeft het verzoek afgewezen omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en heeft zo toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.3.

Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat haar niet langer een verwijt kan worden gemaakt omdat zij de bankafschriften van de Stichting alsnog heeft overgelegd en daaruit volgt dat de Stichting geen inkomsten heeft gegenereerd. Zij heeft daarbij verwezen naar de uitspraken van 8 maart 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AT3338) en 4 mei 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AT5535).

4.4.

Anders dan in de uitspraken waarnaar appellante heeft verwezen heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante na opschorting van het recht op bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken. Uit het vierde lid van artikel 54 van de WWB volgt dat in dat geval de bijstand na het ongebruikt verstrijken van de gestelde termijn wordt ingetrokken met ingang van de datum van opschorting. Dat appellante na deze hersteltermijn alsnog stukken heeft overgelegd doet daaraan niet af. Hetgeen appellante heeft aangevoerd kan daarom niet worden aangemerkt als relevante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten aanzien van het eerder genomen intrekkingsbesluit.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.6.

Uit de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 volgt dat een dergelijke vaststelling de afwijzing van een verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel kan dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek evident onredelijk is. Wat appellante in het voorliggende geval heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) C.A.E. Bon

HD