Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1061

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
16/4712 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellant heeft op geld waardeerbare werkzaamheden verricht. Appellant was aanwezig in de garage. uit de verklaringen blijkt dat appellant werkzaamheden heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4712 PW

Datum uitspraak: 14 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

9 juni 2016, 15/4646 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek gedaan om veroordeling tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2017. Namens appellanten is

mr. Bakker verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.H. Grommers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 9 februari 2010 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden.

1.2.

In het kader van een onderzoek door het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord en Oost Groningen (NOG) naar zwarte inkomsten van een inwoner van de gemeente De Marne, hebben twee sociaal rechercheurs van het NOG in de periode van 24 november 2014 tot en met 22 december 2014 waarnemingen verricht bij [naam autobedrijf 1], gevestigd aan [het adres] te [woonplaats] (autobedrijf). Tijdens deze waarnemingen is gesignaleerd dat de op naam van appellant geregistreerde auto bij het autobedrijf geparkeerd stond.

1.3.

Naar aanleiding van de melding van het NOG dat appellant mogelijk werkzaamheden bij het autobedrijf verricht, hebben sociaal rechercheurs van het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De sociaal rechercheurs hebben in de periode van 13 januari 2015 tot en met 17 april 2015 waarnemingen verricht bij het autobedrijf. Op 23 april 2015 hebben de sociaal rechercheurs appellant op het terrein van het autobedrijf aangetroffen en appellant gehoord. Verder hebben de sociaal rechercheurs die dag [K.] (K), de eigenaar van het autobedrijf, telefonisch gehoord. De sociaal rechercheurs hebben appellanten vervolgens op 30 april 2015 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 mei 2015.

1.4.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 13 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 oktober 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten met ingang van 1 november 2014 in te trekken en de over de periode van 1 november 2014 tot en met 31 maart 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.864,13 van appellanten terug te vorderen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de door appellant verrichte werkzaamheden in het autobedrijf en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.2.

Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is ingevolge artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW het college gehouden de bijstand te herzien dan wel in te trekken, indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting tot een te hoog bedrag bijstand is verleend.

4.3.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de PW is het college verplicht de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting.

4.4.

Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is een belastend besluit waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Het voorgaande betekent dat de vraag voorligt of het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de hier te beoordelen periode, lopend van 1 november 2014 tot en met 13 mei 2015 (te beoordelen periode), op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht die hij moest melden aan het college.

4.5.

Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode (vrijwel) dagelijks aanwezig was op het terrein van het autobedrijf. Appellant heeft aangevoerd dat hij geen werkzaamheden heeft verricht in het autobedrijf, maar daar slechts om sociale redenen aanwezig was en uitsluitend hobbymatige activiteiten heeft ontplooit. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2364) veronderstelt de aanwezigheid op een werkplek tijdens reguliere arbeidsuren dat de desbetreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Het is dan aan betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Daarin zijn appellanten niet geslaagd. Appellant heeft op

30 april 2015 verklaard dat hij sinds november/december 2014 gebruik maakt van een garageloods op het terrein van het autobedrijf en in het bezit is van een sleutel van het toegangshek van het autobedrijf en van de garageloods, dat ook andere personen gebruik maken van de garageloods, dat hij ervoor zorgt dat het toegangshek en de garageloods geopend worden, dat in de garageloods spullen van K staan voor het repareren van auto’s, zoals een brug en gereedschap, dat hij dagelijks aanwezig is in het autobedrijf en dat hij dit jaar nog de Mercedes-Benz van K heeft gerepareerd. Verder heeft appellant verklaard dat hij met de eigenaar van [naam autobedrijf 2], dat ook aan [het adres] is gelegen, een afspraak heeft gemaakt dat appellant benzine uit exportauto’s haalt en dat die benzine op 50/50-basis werd verdeeld tussen appellant en de eigenaar van [naam autobedrijf 2]. Appellant heeft daaraan toegevoegd dat hij ook wel eens een auto van [naam autobedrijf 2] ter keuring bij een APK-bedrijf heeft aangeboden. Uit deze verklaringen blijkt dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.

4.6.

De grond dat ten onrechte is geconcludeerd dat appellant deze op geld waardeerbare werkzaamheden met ingang van november 2014 heeft verricht, slaagt niet. Appellant heeft immers verklaard dat hij sinds november/december 2014 over een sleutel van het toegangshek en de garageloods beschikte en heeft tijdens de hoorzitting op 29 september 2015 verklaard dat hij in november 2014 meerdere keren bij het autobedrijf is geweest. Verder is van belang dat appellant daarbij heeft verklaard dat hij daar vaker is geweest dan de keren dat zijn auto daar is gesignaleerd.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door van deze werkzaamheden van appellant geen melding te maken.

4.8.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.9.

Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Appellanten hebben ook in hoger beroep geen duidelijkheid verschaft over de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden in het autobedrijf. Appellanten hebben geen boekhouding of administratie overgelegd van de gewerkte uren, zodat niet kan worden vastgesteld hoeveel appellant had kunnen verdienen met deze werkzaamheden. Daardoor blijft onduidelijk of en hoeveel inkomsten appellant heeft gehad of redelijkerwijs had kunnen verkrijgen uit deze niet gemelde werkzaamheden.

4.10.

Wat in 4.7 tot en met 4.9 is overwogen leidt tot de conclusie dat het college gehouden was de bijstand van appellanten op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW vanaf 1 november 2014 in te trekken en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW van appelanten terug te vorderen.

4.11.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Onder deze omstandigheden bestaat geen ruimte voor een veroordeling tot vergoeding van schade.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) C.A.E. Bon

HD