Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1056

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
15/4612 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering gemeentelijke toeslag tot 20%. Hoofdverblijf met een ander in dezelfde woning. Geen aanleiding tot afstemmen bij hogere huur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4612 WWB

Datum uitspraak: 7 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 juni 2015, 14/7466 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.L.Th. Balkema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Balkema. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.T.F.A. de Boer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 18 maart 2014, nadat het college een eerdere aanvraag van appellant van 19 februari 2014 wegens een onduidelijke woonsituatie had afgewezen, gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant staat sinds 18 februari 2014 in de Basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres [opgegeven adres] te [woonplaats] (opgegeven adres). Op het opgegeven adres staat tevens [N.] (N) ingeschreven. Appellant heeft bij zijn aanvraag een huurovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat hij maandelijks een huur betaalt van € 600,-. Dit is inclusief de kosten van gas, water en elektra.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag hebben twee medewerkers van de gemeente Arnhem op 19 mei 2014 een huisbezoek afgelegd aan het opgegeven adres. Tijdens het huisbezoek hebben de medewerkers vastgesteld dat sprake is van een bovenwoning waarvan appellant de voor- en de achterkamer op de eerste etage van de woning bewoont. N is woonachtig op de tweede etage van de woning. N en appellant delen de op de tweede etage gelegen badkamer met daarin een douche en wasmachine, alsmede de keuken op de eerste etage. Tevens is sprake van een gezamenlijke energiemeter.

1.3.

Bij besluit van 4 juni 2014 heeft het college appellant met ingang van 18 maart 2014 bijstand ingevolge de WWB toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een gemeentelijke toeslag van 10% van de gehuwdennorm, omdat appellant de noodzakelijke kosten van bestaan met één of meer anderen kan delen.

1.4.

Bij besluit van 13 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2014 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is onder meer ten grondslag gelegd dat appellant met een of meer anderen hoofdverblijf heeft in dezelfde woning. Daarbij heeft het college mede in aanmerking genomen dat de woonruimte van appellant moet worden getypeerd als onzelfstandige woonruimte.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 25, eerst lid, van de WWB, voor zover hier van belang, verhoogt het college de norm, bedoeld in artikel 21, onderdelen a en b, met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

4.2.

Artikel 8, eerst lid, aanhef en onder c, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de WWB stelt de gemeenteraad vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Ingevolge artikel 30, derde lid, van de WWB worden in de verordening uitsluitend verhogingen of verlagingen vastgesteld als bedoeld in de artikelen 25 tot en met 29.

4.3.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Arnhem (verordening), die ter uitvoering van de artikelen 8 en 30 van de WWB is vastgesteld, wordt de norm, genoemd in artikel 21 onder a en b van de wet, verhoogd met een toeslag van 20% van de gehuwdennorm voor de belanghebbende in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. Ingevolge het tweede lid wordt de norm, genoemd in artikel 21, onder a en b, van de WWB verhoogd met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm voor de belanghebbende die met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.

4.4.

Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de gemeenteraad niet de vrijheid heeft om bij verordening afwijkende regels te stellen indien, zoals in zijn geval, geen sprake is van lagere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan. Het college heeft ten onrechte de vraag of sprake van lagere algemeen noodzakelijke kosten gekoppeld aan de vraag of al dan niet sprake is van zelfstandige woonruimte. Appellant acht een dergelijke uitwerking in de verordening in strijd met de wet, zodat de verordening op dit punt onverbindend is.

4.4.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De gemeenteraad is met de bepaling in de verordening dat een belanghebbende een toeslag krijgt van 10% (in plaats van 20%) in het geval hij met één of meer anderen zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning, binnen de grenzen gebleven van zijn verordenende bevoegdheid op grond van de artikelen 8 en 30 van de WWB. Anders dan appellant naar voren heeft gebracht, is in de verordening niet bepaald dat de toeslag voor een alleenstaande wordt vastgesteld op 10% in het geval sprake is van onzelfstandige woonruimte, maar spreekt de verordening over het hebben van hoofdverblijf met één of meer anderen in dezelfde woning. Ook in de toelichting wordt dat criterium gehanteerd. In dit verband wordt verder overwogen dat artikel 3, tweede lid, van de verordening zich verdraagt met artikel 30, tweede lid, onder a, van de WWB. Alleen in het geval de alleenstaande belanghebbende in een woning geen hoofdverblijf heeft met een of meer anderen, is de gemeenteraad in beginsel gehouden de maximale toeslag toe te kennen. De door de gemeenteraad gemaakte keuze voor een forfaitaire benadering maakt dat het voor de beoordeling niet alleen van belang is dat de kosten worden gedeeld maar ook dat zij kúnnen worden gedeeld.

4.5.

Vaststaat dat appellant en N beiden woonachtig zijn in de woning op het opgegeven adres en dat zij, wat appellant ook niet betwist, de badkamer, met daarin een douche en een wasmachine, delen. Verder staat vast dat sprake is van een gezamenlijke energiemeter. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant met een ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft in de zin van artikel 3.2 van de verordening. Dat, zoals appellant heeft betoogd, het gezamenlijk gebruik slechts zeer beperkte schaalvoordelen oplevert en dat dus nog steeds sprake is van hogere algemene kosten van het bestaan dan waarin de norm en de toeslag voorzien, leidt niet tot een ander oordeel. Verwezen wordt naar de overweging onder 4.4.1 (slot). Het bestreden besluit, waarin het college heeft overwogen dat appellant een belanghebbende is die met een of meer anderen zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning, is daarom genomen in overeenstemming met de verordening. Dat het college daarnaast de woonruimte van appellant ook heeft getypeerd als onzelfstandige woonruimte doet daaraan geen afbreuk.

4.6.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat het college gehouden was de bijstand af te stemmen op zijn individuele situatie. Hij heeft in dat kader betoogd dat hij, gelet op de schrijnende omstandigheden waarin hij verkeerde, genoodzaakt was deze woning met een hoge huur te aanvaarden en dat er voor hem op dat moment geen goedkopere woning voorhanden was. Deze beroepsgrond slaagt op grond van het navolgende evenmin.

4.6.1.

Artikel 18, eerste lid, van de WWB houdt voor het college de verplichting in om de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Genoemde bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de WWB, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Deze verplichting kan meebrengen dat een verlaging van de bijstand dan wel van de toeslag is aangewezen. Voor een dergelijke verlaging is slechts plaats in zeer bijzondere situaties.

4.6.2.

Het hebben van een hogere huur rechtvaardigt volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0584) niet het toekennen van een hogere toeslag. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat appellant zelf de keuze heeft gemaakt deze woning met het daarbij behorende huurbedrag te betrekken. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen keuzevrijheid had omdat voor hem geen andere, goedkopere, woning beschikbaar was. Ook in wat appellant overigens heeft aangevoerd zijn geen zeer bijzondere omstandigheden gelegen die ertoe nopen dat met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB moet worden afgeweken van het in de verordening neergelegde forfaitaire stelsel.

4.7.

Ten slotte heeft appellant betoogd dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel in de zin van artikel 1 van de Grondwet, artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 14 van het EVRM in samenhang gelezen met het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Appellant heeft deze beroepsgrond niet onderbouwd, zodat reeds om die reden deze beroepsgrond niet kan slagen.

4.8.

Uit 4.1 tot 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.R. Schut en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M.S. Spek

JL