Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
16/3918 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte intrekking bijstand. Weigering medewerking te verlenen aan huisbezoek niet tegen te werpen. Geen redelijke grond voor huisbezoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3918 PW en 16/4227 PW

Datum uitspraak: 28 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

29 april 2016, 15/7013 (aangevallen uitspraak 1) en van 26 mei 2016, 16/312

(aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek in de gevoegde zaken heeft ter zitting op 17 januari 2017 plaatsgevonden. Namens appellant is, daartoe opgeroepen, mr. Velthorst verschenen. Het college, daartoe eveneens opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt vanaf 6 mei 2002 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant staat in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] in [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

In het kader van een project van (een aantal diensten van) de gemeente Amsterdam en verschillende woningbouwverenigingen, met als doel te controleren of de opgegeven woonsituatie en inschrijvingen in de BRP overeenkomen met de daadwerkelijke situatie, is op het uitkeringsadres op verschillende dagen en tijdstippen in november 2014 en in maart 2015 in totaal zes keer getracht een huisbezoek af te leggen. Ondanks herhaaldelijk aanbellen is op het uitkeringsadres de voordeur steeds niet opengedaan.

1.3.

Bij brief van 9 juli 2015 heeft het college aan appellant toestemming verleend om van

24 juli 2015 tot en met 21 augustus 2015 in het buitenland te verblijven.

1.4.

Op 22 juli 2015 hebben handhavingsmedewerkers van het college opnieuw getracht een huisbezoek bij appellant af te leggen. Daarbij is appellant niet thuis aangetroffen. De medewerkers hebben in de brievenbus van appellant een brief achtergelaten, waarin appellant wordt uitgenodigd te verschijnen op een gesprek op 23 juli 2015. Appellant heeft op deze uitnodiging niet gereageerd. Bij besluit van 23 juli 2015 heeft het college de bijstand met ingang van diezelfde datum opgeschort en appellant opnieuw uitgenodigd voor een gesprek, nu op 24 augustus 2015. Appellant is op deze afspraak verschenen. Tijdens het gesprek op

24 augustus 2015 heeft appellant verklaard niet mee te willen werken aan een na dit gesprek af te leggen huisbezoek, omdat hij eerst zijn kind van school moest ophalen. De resultaten van het project ten aanzien van appellant zijn neergelegd in een rapport van 25 augustus 2015 (rapport) en een gespreksverslag van 24 augustus 2015.

1.5.

Bij besluit van 2 september 2015 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 23 juli 2015 ingetrokken.

1.6.

Bij besluit van 29 oktober 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 september 2015 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat aanleiding bestond voor het afleggen van een huisbezoek, omdat zes keer eerder is getracht een huisbezoek af te leggen, waarbij appellant steeds niet thuis is aangetroffen. Een huisbezoek was noodzakelijk ter controle van de woon- en leefsituatie van appellant. Bovendien hebben de handhavingsmedewerkers aan het begin van het gesprek op 24 augustus 2015 tegen appellant gezegd dat zij na afloop van het gesprek een huisbezoek wilden afleggen, waarop appellant te kennen heeft gegeven dat hij geen dringende afspraken had. Aan het einde van het gesprek heeft appellant alsnog niet zijn medewerking willen verlenen aan het afleggen van een huisbezoek, omdat hij zijn kind van school moest ophalen. Hierdoor heeft appellant zijn inlichtingen- en medewerkingsverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet vastgesteld kan worden.

1.7.

Op 16 september 2015 heeft appellant zich opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college appellant bij brief van 5 oktober 2015 uitgenodigd te verschijnen op een gesprek op 7 oktober 2015. Appellant is niet op deze afspraak verschenen. Bij brief van 7 oktober 2015 heeft het college appellant nogmaals uitgenodigd te verschijnen, nu op een gesprek op 9 oktober 2015. Appellant is ook op deze afspraak niet verschenen. Bij besluit van 9 oktober 2015 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant ondanks herhaalde verzoeken van het college geen inlichtingen heeft verstrekt. Door de schending van de inlichtingenverplichting kan niet beoordeeld worden of appellant recht heeft op bijstand.

1.8.

Bij besluit van 3 december 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2015 ongegrond verklaard. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant, door niet (tijdig) te reageren op de uitnodigingen voor de gesprekken op 7 en 9 oktober 2015, de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking (aangevallen uitspraak 1)

4.1.

Het college heeft de intrekking van de bijstand niet beperkt tot een bepaalde periode, zodat de te beoordelen periode loopt van 23 juli 2015 (de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met 2 september 2015 (de datum van het intrekkingsbesluit).

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat er geen redelijke grond aanwezig was voor het afleggen van het huisbezoek, zodat het college ten onrechte de bijstand heeft ingetrokken op de grond dat hij heeft geweigerd hieraan zijn medewerking te verlenen. Appellant heeft er verder op gewezen dat hij in november 2014 een traject volgde, waarbij hij tot 16:00 uur aan het werk was. De huisbezoeken op 18 en 21 november 2014 hebben voor 16:00 uur plaatsgevonden, zodat hem in ieder geval niet kan worden verweten dat hij toen niet thuis was. Voorts heeft appellant aangevoerd dat, voor zover er wel een redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek, hij een zwaarwegende reden had het huisbezoek te weigeren, omdat hij zijn kind van school moest ophalen toen de handhavingsmedewerkers het huisbezoek wilden afleggen.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2410) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek pas gevolgen worden verbonden (in de vorm van weigeren, beëindigen of intrekken van bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is in gevallen als deze sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene over zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.5.

Anders dan het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat in dit geval geen redelijke grond aanwezig was om aansluitend aan het gesprek op 24 augustus 2015 een huisbezoek af te leggen teneinde te verifiëren of appellant daadwerkelijk woonachtig was op het uitkeringsadres. De omstandigheid dat appellant in het kader van een project bij niet aangekondigde huisbezoeken in november 2014 en in maart 2015 in totaal op zes verschillende data en tijden niet op het uitkeringsadres is aangetroffen, is daarvoor onvoldoende. Dit temeer omdat deze pogingen tot huisbezoeken respectievelijk ruim vijf en negen maanden voor het gesprek op 24 augustus 2015 hebben plaatsgevonden. Voorts blijkt uit het verslag van het gesprek op 24 augustus 2015 niet dat tijdens dat gesprek concrete objectieve feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen op grond waarvan er redelijkerwijs aan kon worden getwijfeld of appellant woonachtig was op het opgegeven adres.

4.6.

Aan het door het college ter zitting ingenomen standpunt dat sprake was van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek omdat appellant ook op 22 juli 2015 niet thuis is aangetroffen en hij op 23 juli 2015 niet op het gesprek is verschenen, gaat de Raad voorbij, reeds omdat dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Ten overvloede wordt opgemerkt dat appellant toestemming had om van 24 juli 2015 tot en met 21 augustus 2015 in het buitenland te verblijven. De verklaring van appellant dat hij enkele dagen eerder is vertrokken en op 17 augustus 2015 is teruggekeerd, dat hij dat wel aan zijn jobcoach heeft gemeld maar het niet aan zijn klantmanager kon melden in verband met diens nieuwe baan, komt de Raad, gelet op wat op dat punt is vermeld in het rapport, niet onaannemelijk voor.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat appellant niet kan worden tegengeworpen dat hij geen medewerking heeft verleend aan het op 24 augustus 2015, onmiddellijk in aansluiting op het gevoerde gesprek, af te leggen huisbezoek. Het college heeft de bijstand van appellant dus ten onrechte met toepassing van artikel 54, derde lid, van de PW met ingang van 23 juli 2015 ingetrokken. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat aangevallen uitspraak 1 voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Nu aan het besluit van 2 september 2015 hetzelfde, niet te herstellen, gebrek kleeft zal de Raad tevens zelf in de zaak voorzien door dat besluit te herroepen.

Afwijzing van de aanvraag (aangevallen uitspraak 2)

4.8.

Omdat het college, gelet op 4.7, de bijstand van appellant ten onrechte met ingang van

23 juli 2015 heeft ingetrokken, ontbrak achteraf gezien een grondslag voor het indienen van een nieuwe aanvraag om bijstand op 16 september 2015. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat aangevallen uitspraak 2 eveneens voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Tevens ziet hij aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 9 oktober 2015 te herroepen.

5. Het college zal in beide zaken worden veroordeeld in de kosten die appellant heeft moeten maken voor verleende rechtsbijstand. Die kosten worden in zaak 16/3918 PW begroot op

€ 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal dus €2.970,-. In zaak 16/4227 PW worden die kosten begroot op € 990,- in bezwaar, € 495,- in beroep en

€ 495,- in hoger beroep, in totaal dus € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Zaak 16/3918 PW

- vernietigt aangevallen uitspraak 1;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 29 oktober 2015;

- herroept het besluit van 2 september 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het besluit van 29 oktober 2015;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.970,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 169,- vergoedt;

Zaak 16/4227 PW

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 december 2015;

- herroept het besluit van 9 oktober 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 3 december 2015;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2017.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) C.A.E. Bon

HD