Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
14/4533 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:5431, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Herziening studiefinanciering. Bezwaar tegen de herziening terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. 2) Boete ten onrechte opgelegd. Bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur zijn als bewijs ontoelaatbaar. Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellant niet woont op het adres waaronder hij staat ingeschreven in de basisregistratie personen en hem om die reden een boete kan worden opgelegd, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4533 WSF

Datum uitspraak: 15 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2014, 13/8128 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kuijer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2016. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Kuijer. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 24 november 2012 heeft de minister aan appellant studiefinanciering toegekend op basis van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) die is berekend naar de norm voor een uitwonende studerende.

1.2.

De minister heeft de toegekende studiefinanciering bij besluit van 19 juli 2013 herzien in die zin dat appellant met ingang van 1 februari 2013 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Bij besluit van 16 augustus 2013 heeft de minister aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd.

1.3.

Tegen de besluiten van 19 juli 2013 en 16 augustus 2013 heeft appellant bezwaar gemaakt op 17 september 2013.

1.4.

Bij besluit van 19 november 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 19 juli 2013, niet-ontvankelijk verklaard, omdat het gemaakte bezwaar tegen dat besluit niet tijdig is ingediend. Het bezwaar, gericht tegen het besluit van 16 augustus 2013, heeft de minister ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar tegen de herziening terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De door appellant gegeven verklaring voor het niet tijdig indienen van het bezwaar leidt niet tot verschoonbare termijnoverschrijding. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de boete niet enkel mocht baseren op de herzieningsbeslissing, maar zij heeft daar geen conclusies aan verbonden omdat de bevindingen van het huisbezoek voldoende grondslag bieden voor de conclusie van de minister dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het adres waaronder hij op dat moment in de basisregistratie personen (brp) stond ingeschreven. Tot slot heeft de rechtbank de hoogte van boete passend geacht.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat hij te laat bezwaar heeft gemaakt tegen de herzieningsbeslissing omdat zijn oma ernstig ziek was en hij psychisch niet in orde was. Die omstandigheden kunnen volgens appellant de termijnoverschrijding rechtvaardigen. Verder beroept appellant zich op onjuistheden in de rapportage van het huisbezoek en wijst appellant erop dat hij een sobere levensstijl heeft, hij vanwege zijn stage, opleiding en bijbaan niet veel op het brp-adres aanwezig is en zijn studiemateriaal in een kluisje op school ligt. Het rapport biedt volgens appellant geen grondslag voor de conclusie van de minister dat hij ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het brp-adres.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het betoog van appellant dat bij de indiening van het bezwaar tegen het besluit van
19 juli 2013 sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding faalt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, die hebben geleid tot de conclusie dat de minister het bezwaar tegen de herziening terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft terecht de – overigens niet met objectieve en concrete (medische) gegevens onderbouwde – ziekte van de oma van appellant en appellant zijn psychische gesteldheid niet aangemerkt als omstandigheden die kunnen leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt waarom niet van hem gevergd kon worden dat hij bij het maken van bezwaar hulp van een derde zou inschakelen. De aangevallen uitspraak, voor zover deze de herziening betreft, moet dan ook worden bevestigd.

4.2.

Het onderzoek naar de feitelijke woon- en leefsituatie van appellante is verricht door twee controleurs in opdracht van een privaat bedrijf waarvan de daar werkzame personen ingevolge een door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uitgevaardigd aanwijzingsbesluit van 19 april 2012 (nr. HO&S/399254, Stcrt. 2012, nr. 8364) belast zijn met het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Ter zitting van de Raad heeft de minister verklaard dat beide controleurs het onderzoek voor dat bedrijf hebben verricht als zelfstandigen zonder personeel.

4.3.1.

Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, is het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 de uitoefening van een overheidstaak en moet met het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend worden omgegaan.

4.3.2.

In zijn uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3566, heeft de Raad overwogen dat met de aanwijzing van werknemers van private bedrijven bij het uitoefenen van dat toezicht de grens van wat nog aanvaardbaar is, is bereikt. Niet kan worden aanvaard dat private bedrijven dat toezicht, al dan niet onder voorwaarden, (gedeeltelijk) uitbesteden aan een derde. Dit oordeel is herhaald en nader gemotiveerd in de uitspraak van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4186. Uit deze uitspraken volgt dat bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur – zijnde een controleur die niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij een eerder bedoeld privaat bedrijf werkzaam is, maar voor dat bedrijf op andere basis werkzaamheden verricht – als bewijs ontoelaatbaar zijn.

4.4.

Nu het onderzoek in deze zaak is verricht door onbevoegde controleurs zijn de bevindingen van dat onderzoek onrechtmatig verkregen en als bewijs ontoelaatbaar.

4.5.

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellant niet woont op het adres waaronder hij staat ingeschreven in de basisregistratie personen en hem om die reden een boete kan worden opgelegd, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

5. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor zover deze de boete betreft voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit voor zover het de boete betreft gegrond verklaren en dat besluit voor dat deel vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het besluit van 16 augustus 2013 te herroepen, nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

6. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de (proces)kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 495,- in bezwaar, op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van
    19 november 2013, voor zover dit de boete betreft, ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt dit besluit in zoverre;

  • -

    herroept het besluit van 16 augustus 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 19 november 2013;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD