Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1041

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
15/4468 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte geen ziekengeld uitgekeerd aan appellant. Loondoorbetalingsverplichting werkgever? Ontbonden B.V.. Gelet op art. 2:19 en 2:19a, BW moet uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel worden geconcludeerd dat de B.V. heeft opgehouden te bestaan. Hiervan uitgaande moet worden geoordeeld dat de B.V., met wie appellant een arbeidsovereenkomst is aangegaan, niet meer bestaat en dat die arbeidsovereenkomst wegens het niet langer bestaan van een van de twee contractspartijen, is geëindigd. Dat sprake zou zijn van een door de directeur grootaandeelhouder voortgezette arbeidsovereenkomst met appellant blijkt nergens uit. De Raad voorziet zelf en bepaalt dat het Uwv aan appellant op en na 1 maart 2011 ziekengeld uitkeert.

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 29
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/160
SZR-Updates.nl 2017-0074
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4468 ZW

Datum uitspraak: 15 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2015, 13/3670 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 1 februari 2017. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 18 maart 2008 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst gekomen van [naam B.V.] te [vestigingsplaats] ( [naam B.V.] ) als [naam functie] . Hij is op 2 oktober 2009 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk. [naam B.V.] heeft na zijn uitval loon aan appellant doorbetaald. De laatste loonbetaling vond plaats op 2 maart 2011.

1.2.

Bij brief van 26 september 2012 heeft appellant verzocht hem met ingang van 1 maart 2011 in aanmerking te brengen voor ziekengeld omdat [naam B.V.] met ingang van maart 2011 was gestopt loon te betalen. Daarbij heeft hij vermeld dat [naam B.V.] inmiddels op 15 oktober 2010 door de Kamer van Koophandel was ontbonden en uitgeschreven en dat de directeur grootaandeelhouder van [naam B.V.] , [naam directeur grootaandeelhouder] , inmiddels persoonlijk failliet was verklaard. Voor zover nodig heeft appellant een beroep gedaan op artikel 61 van de Werkloosheidswet.

1.3.

Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 1 maart 2011 geen recht heeft op ziekengeld omdat zijn werkgever verplicht is het loon door te betalen tijdens ziekte. Bij besluit van 16 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 oktober 2012 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv betekent de ontbinding van [naam B.V.] op 15 oktober 2010 niet dat er vanaf dat moment tussen appellant en [naam B.V.] geen arbeidsovereenkomst meer is. Er is nog loon doorbetaald tot maart 2011 en in april 2011 heeft appellant nog contact gehad met de arbodienst van [naam B.V.] , samen met [naam directeur grootaandeelhouder] . Een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst is niet aannemelijk geworden. Omdat op 1 maart 2011 nog een loondoorbetalingsverplichting bestond, komt appellant per die datum niet in aanmerking voor ziekengeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de betaling van loon aan appellant na ontbinding van [naam B.V.] tot 1 maart 2011 aanleiding gezien te concluderen dat de arbeidsovereenkomst tussen appellant en [naam B.V.] is blijven bestaan. De rechtbank heeft een gelijke conclusie getrokken voor de periode na 1 maart 2011 omdat appellant en [naam directeur grootaandeelhouder] in april 2011 met de arbo-arts hebben gesproken over de re-integratie van appellant. De rechtbank heeft overwogen dat het bedrijf [naam B.V.] kennelijk na ontbinding van [naam B.V.] op

15 oktober 2010 is voortgezet door [naam directeur grootaandeelhouder] . Volgens de rechtbank heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de arbeidsovereenkomst op een later moment is beëindigd, waaruit de rechtbank de conclusie heeft getrokken dat appellant geen recht had op ziekengeld.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij vanaf 1 maart 2011 op grond van artikel 29, tweede lid en onder c van de Ziektewet (ZW) recht heeft op ziekengeld omdat zijn werkgever heeft opgehouden te bestaan. Door de ontbinding van de rechtspersoon op

15 oktober 2010 is de arbeidsovereenkomst opgehouden te bestaan.

3.2.

In verweer heeft het Uwv er nogmaals op gewezen dat tot 1 maart 2011 loonbetaling heeft plaatsgevonden en dat niet is gebleken dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd of is opgezegd, ontbonden of beëindigd met wederzijds goedvinden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als gevolg van ziekte recht op ziekengeld.

4.1.2.

Op grond van artikel 29, eerste lid, van de ZW wordt geen ziekengeld uitgekeerd als de verzekerde recht heeft op loon, als bedoeld in artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van deze laatste bepaling is – kort samengevat – de werkgever verplicht de werknemer bij ziekte gedurende een tijdvak van 104 weken loon door te betalen.

4.1.3.

Op grond van artikel 29, tweede lid en onder c, van de ZW wordt – kort samengevat – in afwijking van wat in 4.1.2 is vermeld, ziekengeld uitgekeerd vanaf de dag dat de dienstbetrekking binnen het tijdvak van 104 weken is geëindigd.

4.1.4.

Artikel 7:610 van het BW verstaat onder de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.

4.1.5.

Op grond van artikel 2:19, eerste lid, aanhef en onder e van het BW wordt een rechtspersoon ontbonden door een beschikking van de Kamer van Koophandel als bedoeld in artikel 19a. In het vierde lid is bepaald:

“Indien de rechtspersoon op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur of, bij toepassing van artikel 19a, de Kamer van Koophandel, daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven.”

4.1.6.

Op grond van artikel 2:19a van het BW wordt een in het handelsregister ingeschreven vennootschap door een beschikking van de Kamer van Koophandel ontbonden wanneer ten minste twee van in die bepaling genoemde omstandigheden zich voordoen. Als geen vereffenaars kunnen worden aangewezen, treedt de Kamer op als vereffenaar behoudens het bepaalde in artikel 19, vierde lid.

4.2.

Partijen verschillen niet van mening dat appellant ook op en na 1 maart 2011 wegens ziekte ongeschikt is voor zijn arbeid. Zij verschillen uitsluitend van mening of het Uwv appellant voor zijn aanspraak op ziekengeld op grond van de ZW terecht tegenwerpt dat zijn werkgever op grond van de met hem aangegane arbeidsovereenkomst tijdens ziekte op en na 1 maart 2011 loon moet doorbetalen.

4.3.

Onder de gedingstukken bevindt zich een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 5 juni 2012, waarin met betrekking tot de besloten vennootschap [naam B.V.] , statutair gevestigd te [naam gemeente] , is vermeld dat deze vennootschap op

21 maart 2002 is ingeschreven in het handelsregister en op 15 oktober 2010 is ontbonden door de Kamer van Koophandel. In het uittreksel is verder opgenomen:

“op 15-10-2010 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 15-10-2010.”

4.4.

Gelet op de hiervoor vermelde artikelen 2:19 en 2:19a van het BW moet uit dit uittreksel worden geconcludeerd dat [naam B.V.] per 15 oktober 2010 heeft opgehouden te bestaan. Hiervan uitgaande moet worden geoordeeld dat de werkgever, [naam B.V.] , met wie appellant in 2008 een arbeidsovereenkomst is aangegaan, met ingang van 15 oktober 2010 niet meer bestaat en dat die arbeidsovereenkomst wegens het niet langer bestaan van een van de twee contractspartijen, is geëindigd. De door het Uwv geschetste situatie dat een ontbonden vennootschap wel kan blijven voortbestaan doet zich hier dus niet voor.

4.5.

Er is geen aanleiding in de door het Uwv genoemde omstandigheden dat appellant tot

1 maart 2011 loon heeft ontvangen en dat hij met [naam directeur grootaandeelhouder] in april 2012 de arbo-arts heeft bezocht, aanknopingspunten te zien om anders te oordelen. Het Uwv heeft, behoudens op verzoek van de rechtbank gedaan onderzoek bij de eigen afdeling Gegevensdiensten en bij de curator van [naam directeur grootaandeelhouder] – dat overigens geen enkele informatie opleverde over [naam B.V.] – geen verdere acties ondernomen om meer duidelijkheid te krijgen over betalingen aan appellant tijdens ziekte en de na de ontbinding van [naam B.V.] kennelijk nog bestaande relatie met een arbodienst. Dat sprake zou zijn van een door [naam directeur grootaandeelhouder] voortgezette arbeidsovereenkomst met appellant blijkt nergens uit.

4.6.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, moet worden geoordeeld dat aan appellant ten onrechte geen ziekengeld met ingang van 1 maart 2011 is uitgekeerd. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen niet in stand blijven en het besluit van 18 oktober 2012 moet worden herroepen. Hetgeen verder in hoger beroep is aangevoerd behoeft geen nadere bespreking. Nu de arbeidsongeschiktheid van appellant per

1 maart 2011 niet in geschil is, onderzoek door het Uwv over de arbeidsrelatie van appellant na ontbinding van [naam B.V.] niets heeft opgeleverd en gelet op het tijdverloop, ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat aan appellant met ingang van 1 maart 2011 ziekengeld wordt uitgekeerd.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand van appellant. De kosten worden begroot op € 990,- in bezwaar, € 1.237,50 in beroep en op € 495,- in hoger beroep, totaal € 2.722,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 mei 2013;

  • -

    herroept het besluit van 18 oktober 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 16 mei 2013;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant op en na 1 maart 2011 ziekengeld uitkeert;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.722,50;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.I. van der Kris en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) G.J. van Gendt

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

UM