Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1037

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
15/5228 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Het oordeel van de rechtbank, alsmede de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. Beide verzekeringsartsen hebben appellante onderzocht, en zien geen redenen voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5228 ZW

Datum uitspraak: 15 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

17 juli 2015, 14/2505 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft appellante de Raad bericht geen nadere medische stukken te kunnen inzenden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2016. Namens appellante is mr. Dezfouli verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als receptioniste in een hotel voor 38 uur per week. Vanuit een situatie waarin zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving heeft zij zich op 19 augustus 2013 ziek gemeld.

1.2.

Bij besluit van 7 februari 2014 heeft het Uwv beslist dat appellante per 23 december 2013 weer geschikt is voor haar eigen werk, zodat aan haar per die datum geen uitkering ingevolge de Ziektewet meer toekomt.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 1 april 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 februari 2014 ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 maart 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Appellante is door twee verzekeringsartsen onderzocht, die tot dezelfde conclusie komen. Appellante heeft geen medische informatie ingezonden, die aan die conclusie zou kunnen afdoen.

3.1.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Appellante stelt nog steeds onder behandeling te zijn bij een neuroloog en een revalidatiearts. Zij heeft veel pijn aan haar schouder en nek, en daardoor ook last van slapeloosheid en vermoeidheid. Zij is niet in staat te werken. Appellante heeft verzocht een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank, alsmede de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. Beide verzekeringsartsen hebben appellante onderzocht, en zien geen redenen voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. Weliswaar hebben zij geen informatie ingewonnen bij de behandelend sector, maar appellante is reeds lang bekend bij het Uwv, aangezien de klachten verband houden met een verkeersongeval in 2010, en reeds eerder tot ziekmeldingen en beroepsprocedures hebben geleid. Eerder specialistisch onderzoek, dat thans weer geraadpleegd is, heeft geen objectiveerbare verklaring voor de klachten opgeleverd. Niet gebleken, en ook door appellante niet gesteld, is dat de medische situatie van appellante gewijzigd is. Appellante heeft, daartoe uitgenodigd door de Raad, zelf ook geen nieuwe medische gegevens in het geding gebracht. Gelet hierop ziet de Raad ook geen aanleiding om alsnog een deskundige te raadplegen.

4.3.

De aangevallen uitspraak dient dus te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en E. Dijt en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) B. Dogan

HD