Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1036

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
15/8145 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen twijfel aan de door het Uwv vastgestelde beperkingen. Voldoende overtuigend gemotiveerd dat vijf van de zes primair de bij de schatting geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8145 WIA

Datum uitspraak: 15 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

19 november 2015, 15/430 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat, hoger beroep ingesteld en om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente verzocht.

Het Uwv heeft een verweerschrift, vergezeld van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 16/1421 ZW, plaatsgevonden op

21 december 2016. Appellante is – met bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was vanaf 16 april 2012, op basis van een contract voor bepaalde tijd, werkzaam als stalmedewerkster voor vijftien uur per week toen zij zich op 8 oktober 2012 ziek meldde wegens hoofd-, nek-, rug- en recidiverende urologische klachten. Tevens heeft appellante vermoeidheidsklachten geclaimd. Het dienstverband is per 16 oktober 2012 van rechtswege geëindigd. Appellante is op basis van bevindingen na een spreekuurcontact op

7 januari 2013 per 14 januari 2013 hersteld verklaard. Op 12 januari 2013 is haar, op een indoor skibaan, een ongeval overkomen met een hersenschudding en whiplashklachten tot gevolg. Zij heeft op 8 juli 2014 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) gedaan. Na lichamelijk en psychisch onderzoek heeft de verzekeringsarts in zijn rapport van 29 juli 2014 geconcludeerd tot het aannemen van beperkingen ten aanzien van de belastbaarheid van de nek, verhoogd persoonlijk risico en psychomentale belastbaarheid. Hij heeft zijn bevindingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van eveneens 29 juli 2014. Vervolgens heeft het Uwv na arbeidskundig onderzoek bij besluit van 21 augustus 2014 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 25 september 2014 geen recht was ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2.

Bij besluit van 9 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 augustus 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

Bij tussenuitspraak van 29 mei 2015 heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:376), overwogen dat het Uwv terecht de door appellante voorafgaand aan haar ziekmelding verrichte arbeid van stalmedewerker als maatman heeft genomen. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in de FML van 29 juli 2014 op het gebied van hoofd-, nek- en rugklachten en daarmee samenhangende bewegingen en houdingen minder beperkingen zijn opgenomen dan in de, in het kader van een eerdere WIA-beoordeling opgestelde, FML van 23 augustus 2006. Dit terwijl de klachten van appellante na het
ski-ongeval zijn toegenomen. De rechtbank heeft het Uwv, op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Het Uwv heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en in dit kader een rapport van een verzekeringsarts van 6 augustus 2015 ingediend en in reactie op door appellante overgelegde informatie van de anesthesioloog drs. W.T.A. Walraeven van 30 juli 2015, een aanvullend rapport van 25 september 2015.

2.2.

De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv er in is geslaagd het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. In de FML van 29 juli 2014 is rekening gehouden met de beperkingen die appellante op de datum in geding medisch objectiveerbaar had. Dat dit ertoe heeft geleid de beperkingen in deze FML geringer zijn dan de beperkingen zoals die in de FML van 23 augustus 2006 zijn opgenomen, maakt dat niet anders. Appellante is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij op de datum in geding meer beperkt was dan waarvan het Uwv uitgaat. De overgelegde informatie van de anesthesioloog ziet op een periode na de datum in geding en voorts ziet die behandeling die de anesthesioloog voorstelt op pijnbestrijding van de huidige klachten, maar zegt deze niets over de beperkingen en belastbaarheid van appellante op de datum in geding. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is het beroep gegrond. Nu het Uwv in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek hersteld heeft, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat er geen sprake is van een zorgvuldig medisch onderzoek en dat meer gewicht had moeten worden toegekend aan de door haar overgelegde medische informatie. Dat deze informatie na de datum in geding is ingediend maakt niet dat deze informatie niet ziet op de datum in geding. Uit informatie van de behandelend sector blijkt dat er vanuit medische oogpunt verschillend over de situatie van appellante wordt gedacht. Ten onrechte heeft de rechtbank geen deskundige ingeschakeld. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte met het wijzigen van de FML in 2014 ten opzichte van 2006 een niet gefundeerde wijziging van beperkingen geaccepteerd. Deze wijzigingen zijn gezien het ziekteverloop niet te verklaren. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante informatie van haar huisarts ingediend.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Op de in hoger beroep nader overgelegde informatie van de huisarts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van 12 januari 2016 gereageerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van het Uwv heeft onderschreven dat appellante ingaande 25 september 2014 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid toen minder dan 35% bedroeg. Daarbij spitst het geschil zich met name toe op de vraag of het Uwv voldoende heeft gemotiveerd waarom eerder in 2006 aangenomen beperkingen niet meer in 2014 actueel zijn, terwijl volgens appellante haar klachten in de loop van de jaren zijn toegenomen.

4.2.

Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank terecht overwogen dat het Uwv door het indienen van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 augustus 2015, met daarin opgenomen een aanvullende motivering, erin is geslaagd het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. In het genoemde rapport heeft deze arts toegelicht dat in 2006 een aantal beperkingen is opgenomen wegens chronische aspecifieke tendomyogene pijnklachten. Ten tijde van het onderzoek in
november 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelijk aan het onderzoek door de verzekeringsarts, lichte beperkingen in de beweeglijkheid van de nek en geen evidente beperkingen in de (lage) rugfunctie geconstateerd. Uitgaande van de in 2014 objectiveerbare bevindingen is geen enkel medisch argument aanwezig om een normale fysieke belasting te verbieden volgens deze arts. Evenmin worden objectieve medische argumenten aangetroffen om meer beperkingen aan te nemen als gevolg van het ski-ongeval.

4.3.

De in beroep en hoger beroep ingebrachte medische informatie leidt niet tot een ander oordeel. Voor een belangrijk deel zien deze gegevens op een latere datum. Voor het overige bevestigt deze informatie de subjectieve pijnbeleving, maar zonder dat hiervoor een medische verklaring blijkt die aanleiding vormt tot het aannemen van verdergaande beperkingen. Verder hebben de artsen van het Uwv de klachten erkend en aanzienlijke beperkingen aangenomen. Er wordt dan ook geen aanleiding gezien voor twijfel aan de door het Uwv vastgestelde beperkingen.

4.4.

Gelet op het vorenstaande wordt geen aanleiding gezien een onafhankelijk deskundige te benoemen.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de aan de schatting ten grondslag liggende functies passend te achten. Gelet op de in de Resultaat functiebeoordeling van 8 augustus 2014 opgenomen toelichtingen, in combinatie met de in zijn rapport van 8 januari 2015 gegeven toelichting, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende overtuigend gemotiveerd dat vijf van de zes primair de bij de schatting geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn. Door het vervallen van de functie boekhouder, loonadministrateur (SBC-code 315040) wijzigt weliswaar de mediaanfunctie maar dit is niet van invloed op de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Die blijft vastgesteld op minder dan 35%.

4.6.

Uit hetgeen overwogen is in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Bij deze uitspraak is voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente geen grond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en E. Dijt en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) B. Dogan

HD