Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
16/1421 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Geschikt voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling, geduide functies. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de artsen van het Uwv onzorgvuldig zijn geweest of de medische situatie van appellante onjuist hebben ingeschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1421 ZW

Datum uitspraak: 15 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

17 februari 2016, 15/1990 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat, hoger beroep ingesteld en om schadevergoeding, in de vorm van wettelijke rente, verzocht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 15/8145 WIA plaatsgevonden op
21 december 2016. Appellante is – met bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor de aan dit geschil voorafgaande relevante feiten wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad in de zaak 15/8145 WIA. In aanvulling hierop wordt overwogen dat appellante zich op 30 december 2014, binnen vier weken na het beëindigen van haar uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), heeft ziek gemeld wegens toegenomen psychische- en hoofdpijnklachten.

1.2.

Op 4 februari 2015 heeft zij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 30 december 2014 geschikt geacht voor de in het kader van de Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 4 februari 2015 vastgesteld dat appellante per 30 december 2014 volgens de Ziektewet (ZW) niet arbeidsongeschikt is en geen recht heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 juni 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 juni 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest. Ook is geen aanleiding gezien om de uitslag van het medisch onderzoek als onjuist aan te merken.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat, gezien het feit dat de rechtbank in de eerdere WIA zaak oordeelde dat het besluit van het Uwv onvoldoende gemotiveerd was, dit in de onderhavige zaak ook had moeten gebeuren. Het feit dat het Uwv in de ogen van de rechtbank dit gebrek repareerde maakt dit niet anders. Appellante stelt zich, net zoals in de WIA-zaak, op het standpunt dat de wijzigingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet zijn onderbouwd. De uit de informatie van de behandelend sector gebleken verslechtering van appellantes gezondheidstoestand laat zich niet verenigen met een verbetering in de FML.

3.2.

Het Uwv heeft in verweer verwezen naar het verweerschrift van 4 februari 2016 en het aanvullende rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 januari 2016, ingediend in het hoger beroep in het kader van de eerder genoemde WIA-zaak (15/8145 WIA). Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 46, eerste lid, van de ZW bepaalt, voor zover hier van belang, dat degene die binnen vier weken na het einde van zijn verzekering ongeschikt tot werken wordt, tegenover het Uwv aanspraak op ziekengeld heeft alsof hij verzekerd was gebleven. Op grond van artikel 20 van de ZW zijn werknemers in de zin van deze wet verzekerd. Op grond van artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW wordt voor de toepassing van deze wet als werknemer beschouwd degene die krachtens de verplichte verzekering op grond van de WW een uitkering ontvangt. Nu niet in geschil is dat appellante zich ziek heeft gemeld binnen vier weken na beëindiging van het recht op WW-uitkering, heeft appellante tegenover het Uwv aanspraak op ziekengeld alsof zij verzekerd is gebleven.

4.2.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.3.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de uitslag van het medisch onderzoek onjuist is. Ook de gronden waarop dat oordeel berust worden onderschreven.

4.4.

In hoger beroep worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de artsen van het Uwv onzorgvuldig zijn geweest of de medische situatie van appellante onjuist hebben ingeschat. Evenmin is nadere medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat de artsen van het Uwv appellantes belastbaarheid hebben overschat. Er wordt dan ook geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.5.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Bij deze uitspraak is voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente geen grond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en E. Dijt en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) B. Dogan

HD