Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
16/481 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft ten onrechte beslist dat werkneemster geen recht heeft op een

ZW-uitkering ter hoogte van het dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW. De feitelijke gegevens overziend wordt geconcludeerd dat de zwangerschap van werkneemster niet alleen de aanleiding is geweest voor het ontstaan van haar ongeschiktheid, maar ook dat sprake was van een causaal verband tussen de zwangerschap en de ongeschiktheid voor haar arbeid. Dat werkneemster een zekere predispositie had voor depressieve episodes maakt dit niet anders; zij was door die predispositie als zodanig niet ongeschikt voor haar arbeid.

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 29a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/161
SZR-Updates.nl 2017-0073
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/481 ZW

Datum uitspraak: 15 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

14 december 2015, 15/2044 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.F.R. Avis hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2017. Voor appellante zijn verschenen M. van Veen en R. Grooters, bijgestaan door mr. Avis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

[werkneemster] (werkneemster) was sinds 16 februari 2010 voor 28 uur per week werkzaam bij appellante. Op 27 januari 2015 heeft werkneemster zich ziek gemeld wegens psychische klachten. Zij was op dat moment zwanger.

1.2.

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft het Uwv bepaald dat appellante vanaf 27 januari 2015 geen recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) omdat zij weliswaar ongeschikt was voor haar arbeid, maar niet als gevolg van zwangerschap of bevalling. Het Uwv heeft aan dit besluit een rapport van een verzekeringsarts van 24 februari 2015 ten grondslag gelegd.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 21 april 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 februari 2015 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 april 2015 ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is, kort gezegd, tot het oordeel gekomen dat de zwangerschap van werkneemster wel de aanleiding voor, maar niet de oorzaak was van de ongeschiktheid voor haar arbeid.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de oorzaak van de ongeschiktheid van werkneemster voor haar arbeid wel was gelegen in haar zwangerschap. Appellante heeft daarbij, onder verwijzing naar de verzekeringsgeneeskundige richtlijn van het Uwv “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor arbeid” (richtlijn) en de uitspraak van de Raad van 28 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:267, onder meer betoogd dat bij een combinatie van oorzaken van arbeidsongeschiktheid de arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap prevaleert.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft betoogd dat weliswaar sprake is geweest van een depressieve episode tijdens de zwangerschap, maar niet als gevolg van de zwangerschap van werkneemster. Werkneemster had door individuele kwetsbaarheid, een belaste voorgeschiedenis en haar persoonskenmerken een zekere predispositie voor depressieve episodes. Ook een ander zogenoemd life-event dan de zwangerschap had de depressie in de visie van het Uwv kunnen veroorzaken. Het Uwv heeft ter ondersteuning van zijn standpunt verwezen naar de uitspraken van de Raad van

1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9108, 27 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1714 en
2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4283.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding staat de vraag centraal of de rechtbank terecht het standpunt van het Uwv heeft gevolgd dat werkneemster met ingang van 27 januari 2015 geen recht heeft op een
ZW-uitkering ter hoogte van het dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW.

4.2.

Op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde, indien zij, voorafgaand aan de dag waarop zij recht heeft op uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, tweede lid, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg (WAZO), ongeschikt wordt tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon vanaf de eerste dag waarop die ongeschiktheid bestaat.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van belang sprake was van een depressieve stoornis en dat werkneemster als gevolg daarvan ongeschikt was voor haar arbeid bij appellante. In geschil is uitsluitend of de depressieve stoornis van werkneemster het gevolg was van haar zwangerschap.

4.4.

Psycholoog drs. M. Hondema heeft in zijn brief van 10 maart 2015, die door appellante in beroep is overgelegd, te kennen gegeven dat de zwangerschap van werkneemster een doorslaggevende factor is geweest, waardoor zij flink uit balans is geraakt. Werkneemster heeft volgens hem, net als vele andere mensen, te maken met stressklachten die doorgaans prima te hanteren zijn, maar een ingrijpende wijziging in haar normale leven kan een luxerende factor zijn waardoor de stress toeneemt. Bij werkneemster heeft het bekend worden van haar zwangerschap direct een aantal psychische reacties op gang gebracht, waardoor zij niet meer in staat was in haar werksituatie te functioneren.

4.5.

De verzekeringsarts heeft in haar rapport van 24 februari 2015 beschreven dat bij werkneemster sprake is van individuele kwetsbaarheid, een belaste voorgeschiedenis en persoonskenmerken waarbij zij hecht aan structuur en controle. De zwangerschap heeft haar onzekerheid gegeven. Vanuit vroeger was er een negatief zelfbeeld, nu een situatie van een veranderend lichaam. De verzekeringsarts heeft daarbij uit de mond van werkneemster opgetekend dat zij een hekel had aan haar veranderende lichaam.

4.6.

De feitelijke gegevens overziend wordt geconcludeerd dat de zwangerschap van werkneemster niet alleen de aanleiding is geweest voor het ontstaan van haar ongeschiktheid, maar ook dat sprake was van een causaal verband tussen de zwangerschap en de ongeschiktheid voor haar arbeid. Dat werkneemster een zekere predispositie had voor depressieve episodes maakt dit niet anders; zij was door die predispositie als zodanig niet ongeschikt voor haar arbeid. Dit wordt geïllustreerd door het feit dat werkneemster op
27 januari 2015 bijna vijf jaar bij appellante had gewerkt zonder een dag te verzuimen, terwijl zij ook na ommekomst van het WAZO-verlof op 10 augustus 2015 haar werkzaamheden bij appellante meteen heeft hervat. Dat zij, bezien vanuit een verder verleden, vatbaarder was voor depressies maakt niet dat gesteld kan worden dat de in 2015 opgetreden depressie niet het gevolg was van haar zwangerschap. Voor zover het al zo zou zijn dat naast de zwangerschap ook andere factoren een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de depressie zou dit in haar situatie hooguit betekenen dat gesproken kan worden van multicausaliteit, in welk geval, zoals appellante terecht naar voren heeft gebracht, volgens punt 4.2.2 van de richtlijn de ongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap prevaleert.

4.7.

In reactie op de uitspraken waarnaar het Uwv heeft verwezen wordt opgemerkt dat de overwegingen van de Raad niet los kunnen worden gezien van de concrete feiten en omstandigheden in de betreffende zaak. Veelal is niet een element doorslaggevend, maar moet met inachtneming van alles wat in die zaak bekend is tot een afweging worden gekomen. De in de door het Uwv aangehaalde uitspraken beoordeelde situaties verschillen allemaal in betekenende mate van de situatie in de zaak die nu ter beoordeling voorligt.

In de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9108, ging het om de vraag of depressieve klachten die waren ontstaan na de bevalling en die op het moment van de beoordeling al ruim een jaar hadden geduurd op dat moment nog konden worden gezien als gevolg van de zwangerschap of bevalling. Op basis van de medische gegevens in die zaak werd geconcludeerd dat dat niet het geval was. In de uitspraak van 27 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1714, ging het om depressieve klachten die gelijdelijk waren ontstaan en toegenomen in de weken en maanden na een ongecompliceerd verlopen zwangerschap en bevalling, waarbij door de behandelend sector werd gesproken van een aanpassingsstoornis en veel (moeten) organiseren na de bevalling. Ook in die zaak werden de depressieve klachten niet gezien als gevolg van de zwangerschap of bevalling. In de uitspraak van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4283, ging het om psychische klachten ontstaan tijdens een tweede zwangerschap. De oorzaak van deze klachten was niet gelegen in die tweede zwangerschap, maar in traumatische ervaringen tijdens de eerste zwangerschap, waarbij het kindje na 34 weken was overleden. In die zaak bestond geen oorzakelijk verband tussen de klachten en de tweede zwangerschap.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak worden voorzien door het besluit van 24 februari 2015 te herroepen en te bepalen dat werkneemster met ingang van 27 januari 2015 recht heeft op een ZW-uitkering ter hoogte van het dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 178,20 in beroep voor kosten verbonden aan het meebrengen van psycholoog Hondema naar de zitting bij de rechtbank en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal
€ 1.168,20.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 21 april 2015;

  • -

    herroept het besluit van 24 februari 2015, stelt vast dat werkneemster met ingang van
    27 januari 2015 recht heeft op een ZW-uitkering ter hoogte van het dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 21 april 2015;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.168,20;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 834,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.I. van der Kris en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) G.J. van Gendt

IvR