Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
15/5366 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:4458, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De verzekeringsarts heeft afdoende gemotiveerd dat appellant in staat wordt geacht werkzaamheden te verrichten overeenkomstig de FML. De belastbaarheid van appellante is niet overschat. In de arbeidskundige rapporten afdoende gemotiveerd dat appellante in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5366 WIA

Datum uitspraak: 15 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
24 juni 2015, 15/615 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Roos, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een nader stuk en een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een vraagstelling van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2017. Namens appellante is

mr. J.J.E. Stout, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als telefoniste/receptioniste voor 36 uur per week. Op 16 augustus 2012 heeft zij zich ziek gemeld. Bij besluit van 9 juli 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per 14 augustus 2014 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

Bij besluit van 17 december 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 juli 2014 ongegrond verklaard. Aan dat besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 november 2014 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 4 december 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het door het Uwv verrichte onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben appellante onderzocht. Naar aanleiding van door appellante ingebrachte medische informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid nader vastgesteld, en vastgelegd in een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 november 2014. Door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is voldoende gemotiveerd dat appellante in staat is de geselecteerde functies te vervullen.

3. In hoger beroep heeft appellante wederom gesteld dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Zij heeft daarbij gewezen op de door haar ingebrachte medische informatie en op het feit dat zij zich in 2015 onder behandeling van een acupuncturist heeft gesteld. Ook acht zij zich niet in staat de geselecteerde functies te vervullen.

4.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd dat appellant in staat wordt geacht werkzaamheden te verrichten overeenkomstig de FML van 28 november 2014, wordt onderschreven. In de bezwaarfase is door appellante een rapport van de revalidatiearts W.C.G. Blanken ingebracht. In dat rapport worden de behandelingen die appellante heeft ondergaan uitgebreid weergegeven. De inhoud van dat rapport is meegewogen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die de FML ook heeft aangepast. Er was dan ook voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om alsnog de behandelend sector te raadplegen. Door appellante is in hoger beroep geen nieuwe medische informatie ingebracht die tot een ander oordeel zou kunnen leiden. Er zijn geen gronden om aan te nemen dat het Uwv met het aannemen van de psychische en lichamelijk beperkingen, zoals opgenomen zijn in de FML van 28 november 2014, de belastbaarheid van appellante heeft overschat.

4.3.

In de arbeidskundige rapporten van 4 december 2014, 19 maart 2015, 22 december 2015, en 25 oktober 2016 is afdoende gemotiveerd dat appellante in staat moet worden geacht de (in de bezwaarfase) geselecteerde functies te verrichten. Daarbij wordt opgemerkt dat de functie telefonist/receptionist (SBC-code 315120) inhoudelijk een andere functie is dan de maatmanfunctie van appellante waarvoor zij niet meer geschikt wordt geacht.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.I. van der Kris en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) G.J. van Gendt

UM