Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1020

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
14/1757 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen gezamenlijke huishouding niet aannemelijk gemaakt. Voor hoofdverblijf onvoldoende grondslag. Boetebesluit in beoordeling betrokken op verzoek van partijen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/95
NJB 2017/798
ABkort 2017/88
USZ 2017/189
JB 2017/92 met annotatie van A.M.M.M. Bots
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1757 WWB, 14/4992 WWB, 16/7523 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

21 februari 2014, 13/3663 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Brink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brink. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Dekker-Koenders en C.D. van der Gulik.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 9 november 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij woonde ten tijde in geding op het adres [adres] (uitkeringsadres). Appellante heeft met [naam] drie kinderen, die [naam] heeft erkend.

1.2.

Naar aanleiding van een begin november 2012 ontvangen telefonische anonieme melding dat appellante samenwoont met een man, hebben sociaal rechercheurs, werkzaam bij de gemeente Purmerend, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de sociaal rechercheurs onder meer dossieronderzoek gedaan, waarnemingen verricht, een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd, appellante gehoord en zowel buurtbewoners van appellante als buurtbewoners van [naam] te [gemeente] gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 maart 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

14 maart 2013 de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 21 november 2012 en de over de periode van 21 november 2012 tot en met 31 januari 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.290,46 van appellante en mede van [naam] terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 2 augustus 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2013 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 21 november 2012 een gezamenlijke huishouding voerde met [naam] zonder daarvan melding te maken bij het college.

1.5.

Bij besluit van 9 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 juli 2014 (bestreden besluit 2), heeft het college aan appellante een boete opgelegd van € 1.051,35 wegens schending van de inlichtingenverplichting. Het college heeft daarbij 100% van het benadelingsbedrag over de maand januari 2013 aangehouden.

1.6.

Bij besluit van 17 november 2016 (bestreden besluit 3) heeft het college het bestreden besluit 2 gewijzigd door de boete met 50% van het benadelingsbedrag te matigen tot € 526,-, omdat sprake is van normale verwijtbaarheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 21 november 2012 tot en met 14 maart 2013.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking, in dit geval het voeren van een gezamenlijke huishouding op het uitkeringsadres, in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Vaststaat dat uit de relatie van appellante en [naam] kinderen zijn geboren. Voor de beantwoording van de vraag of in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB uitsluitend van belang of appellante en [naam] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Meer in het bijzonder ligt hier de vraag voor of [naam] zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellante en [naam] stonden in de te beoordelen periode op afzonderlijke adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen.

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat bestreden besluit 1 niet deugdelijk is onderbouwd, omdat de onderzoeksbevindingen bezien moeten worden in het licht van het feit dat zij op

21 november 2012 is bevallen van haar derde kind en dat [naam] in verband met de zorg voor haar en de kinderen veelvuldig bij haar is geweest. Bovendien zijn tijdens het huisbezoek dat op 25 januari 2013 is afgelegd geen kledingstukken van [naam] aangetroffen. Deze beroepsgrond slaagt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen bieden de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat [naam] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. In dit verband is van betekenis dat de door het college geconstateerde veelvuldige aanwezigheid van [naam] aansluit bij de verklaring van appellante dat [naam] vanaf een maand voor de bevalling van haar derde kind vaak op de kinderen paste en door de moeizame bevalling daarna ook vaak aanwezig was om haar te helpen. Dat het op 25 januari 2013 afgelegde huisbezoek plaatsvond in het kader van een aanvraag voor bijzondere bijstand is geen reden om voorbij te gaan aan het feit dat tijdens dat huisbezoek geen herenkleding is aangetroffen. De door de buurtbewoners afgelegde verklaringen zijn te weinig specifiek om te kunnen worden gebruikt als ondersteunend bewijs voor het aannemen van gezamenlijk hoofdverblijf. De omstandigheid dat de auto van [naam] bij waarnemingen in de periode van 21 november 2012 tot en met 12 februari 2013 veelvuldig bij het uitkeringsadres is aangetroffen en appellante heeft verklaard dat als de auto van [naam] er stond, hij bij haar was, past in de hiervoor bedoelde verklaring van appellante.

4.6.

Wat in 4.3 tot en met 4.5 is overwogen, leidt tot de slotsom dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat gedurende de periode van 21 november 2012 tot en met

14 maart 2013 aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand was voldaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bestreden besluit 1 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Mede in aanmerking genomen dat door het tijdsverloop onaannemelijk is dat het college het geconstateerde gebrek dat ook aan het besluit van

14 maart 2013 kleeft alsnog kan herstellen en dat aan appellante met ingang van 24 april 2013 opnieuw bijstand is toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder, ziet de Raad aanleiding om het besluit van 14 maart 2013 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Boete

5.1.

Hangende het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft het college bestreden besluit 2 genomen. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroepschrift aan de Raad doorgezonden. Bij bestreden besluit 3 heeft het college bestreden besluit 2 gewijzigd. Appellante en het college hebben de Raad verzocht bestreden besluiten 2 en 3 bij de beoordeling van het hoger beroep tegen bestreden besluit 1 te betrekken. Partijen hebben uitdrukkelijk te kennen gegeven af te zien van behandeling van het geding over de boetebesluiten in twee instanties. Gelet hierop en op het belang van definitieve geschilbeslechting, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluiten 2 en 3 bij de beoordeling van het geding over het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand betrekken.

5.2.

Het college heeft bestreden besluit 2 niet gehandhaafd en vervangen door bestreden besluit 3. Nu geen belang is gebleken bij vernietiging van bestreden besluit 2 zal het beroep daartegen niet-ontvankelijk worden verklaard. Nu uit 4.5 volgt dat appellante niet de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en bestreden besluit 3 op dezelfde onjuiste feitelijke grondslag is gestoeld, dient dit besluit om dezelfde reden te worden vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 3 zal daarom gegrond worden verklaard. Bestreden besluit 3 zal worden vernietigd en het besluit van 9 april 2013 zal worden herroepen.

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.980,- in bezwaar, € 1.485,- in beroep en € 990,- in hoger beroep,

in totaal € 4.455,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 augustus 2013 gegrond en vernietigt dit besluit;

- herroept het besluit van 14 maart 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het vernietigde besluit van 2 augustus 2013;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 juli 2014 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 november 2016 gegrond en vernietigt dit

besluit;

- herroept het besluit van 9 april 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

besluit van 17 november 2016;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.455,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en H.C.P. Venema en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) A.M. Pasmans

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD