Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1019

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
16/4859 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bijstand met terugwerkende kracht. Digitaal inschrijven als werkzoekende is geen melding in de zin van de Participatiewet. Appellant heeft niet zo spoedig mogelijk de aanvraag ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4859 PW

Datum uitspraak: 14 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 juli 2016, 16/2092 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2017. Namens appellant is

mr. De Witte verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.A. Bogaards.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 6 juli 2015 een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) met als gewenste ingangsdatum 1 januari 2015. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 28 september 2015 afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende inlichtingen had verstrekt waardoor het recht op bijstand niet kon worden beoordeeld. Dit besluit is bij besluit van 9 november 2015 ingetrokken.

1.2.

Op 1 oktober 2015 heeft appellant een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van (eveneens) 9 november 2015 heeft het college appellant bijstand toegekend met ingang van 6 juli 2015. Hierbij heeft het college de zogeheten kostendelersnorm toegepast, op de grond dat appellant een woning deelt met een andere meerderjarige persoon en de bijstand vastgesteld op een bedrag van 50% van het wettelijk minimumloon.

1.3.

Bij besluit van 14 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen laatst vermeld besluit van 9 november 2015 gegrond verklaard voor zover over de periode van 7 juli 2015 tot en met 24 augustus 2015 de kostendelersnorm is toegepast. Het college heeft het bezwaar voor zover dat betrekking had op de gewenste ingangsdatum van 1 januari 2015 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat bijstand wordt toegekend over een periode voorafgaand aan de datum van aanvraag, 6 juli 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, dat uitsluitend betrekking had op de ingangsdatum van de verleende bijstand, ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 44, eerste lid, van de PW bepaalt dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.2.

Artikel 44, tweede lid, van de PW bepaalt dat de belanghebbende zich heeft gemeld als zijn naam, adres en woonplaats bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) zijn geregistreerd en, voor zover hier van belang, hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uwv.

4.3.

Op grond van artikel 44, derde lid, van de PW kan het college, in afwijking van

artikel 44, eerste lid, van de PW, besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend, indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hem in ieder geval bijstand moet worden toegekend met ingang van 12 juni 2015. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat hij diverse formaliteiten heeft moeten verrichten, zoals het aanmaken van een DigiD, alvorens hij bijstand kon aanvragen. Nadat hij een DigiD had geregeld heeft appellant op 12 juni 2015 via internet geprobeerd bijstand aan te vragen, maar dit is niet gelukt, doordat het digitaal aanvragen om bijstand bij het college via de website van het Uwv nog niet mogelijk was. Hierna heeft appellant op 6 juli 2015 een aanvraagformulier ingevuld en ingediend. Volgens appellant heeft zijn digitale inschrijving bij het Uwv wel geleid tot een melding als bedoeld in artikel 44 van de PW.

4.5.

Vaststaat dat appellant zich op 12 juni 2015 digitaal bij het Uwv heeft ingeschreven als werkzoekende. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat met de digitale inschrijving op 12 juni 2015 nog geen melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de PW tot stand is gekomen, omdat er op dat moment nog geen registratie door het Uwv van naam, adres en woonplaats had plaatsgevonden. Bovendien is appellant met die inschrijving niet in staat gesteld om een aanvraag in te dienen. Daarnaast heeft het college betoogd dat, als al moet worden gesproken van een melding op 12 juni 2015 als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de PW, appellant hierna niet zo spoedig mogelijk zijn aanvraag heeft ingediend als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de PW, zodat het college bevoegd was om de bijstand toe te kennen met ingang van de dag dat de aanvraag is ingediend.

4.6.

Het betoog van het college slaagt. Zoals niet in geschil is heeft appellant eerst op 6 juli 2015 een aanvraag om bijstand ingediend. Zelfs als moet worden uitgegaan van een melding op 12 juni 2015 als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de PW, zoals appellant heeft betoogd, dan heeft hij niet zo spoedig mogelijk na zijn melding een aanvraag om bijstand ingediend. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aannemelijk maken dat hem niet is te verwijten dat hij de aanvraag niet daags na de gestelde melding, althans veel eerder dan op 6 juli 2015 heeft ingediend. Het college was dus bevoegd om de bijstand toe te kennen met ingang van 6 juli 2015. Wat appellant heeft aangevoerd over zijn problemen met de digitale communicatiekanalen van de gemeente leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kon maken.

4.7.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die bijstandverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Appellant heeft in dit verband gesteld dat hij vanaf het moment waarop hij weer in Nederland was, in januari 2015, aantoonbaar geen middelen van bestaan had. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De door appellant gestelde omstandigheid dat hij vanaf januari 2015 geen middelen van bestaan had is geen bijzondere omstandigheid die bijstandverlening met ingang van een periode voorafgaand aan de melding of aanvraag rechtvaardigt. Ook overigens is niet van bijzondere omstandigheden gebleken. In dit verband weegt mee dat appellant geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij niet eerder dan op 12 juni 2015 heeft getracht om zich te melden voor bijstand en voor het feit dat hij vervolgens ruim drie weken heeft gewacht met het indienen van zijn aanvraag.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2017.

(getekend) F. Hoogendijk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD