Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1013

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
16/4247 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:3608, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Niet gemelde kasstortingen. Als inkomen in aanmerking nemen bij bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4247 PW

Datum uitspraak: 14 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 mei 2016, 15/8361 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Çelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2017. Namens appellante is

mr. Çelen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.L. Jagt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 6 december 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge Participatiewet (PW).

1.2.

In het kader van het project Heronderzoek WWB 2014 heeft het college onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Hierbij heeft het college appellante onder meer verzocht om de bankafschriften van de laatste twaalf maanden van alle in bezit zijnde bankrekeningen over te leggen. Appellante is op 25 november 2014 verschenen voor een gesprek over onder meer haar financiële situatie. Zij heeft de afschriften overgelegd van de op haar naam staande bankrekeningnummers [nummer 1] , een spaarrekening, en [nummer 2] , een privérekening. Op beide rekeningen waren maandelijkse stortingen en bijschrijvingen te zien, waarvan appellante geen melding had gemaakt bij het college. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van

9 december 2014.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van

19 december 2014 de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 1 november 2013 en de gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 11.142,58. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante tijdens de periode van bijstand financiële bijdragen van derden heeft ontvangen die hoger zijn dan de voor haar geldende bijstandsnorm.

1.4.

Bij besluit van 1 juli 2015 heeft het college het besluit van 19 december 2014 ingetrokken en de bijstand met ingang van 1 november 2013 hervat. Verder heeft het college bij dat besluit de bijstand herzien over de periode van 1 november 2013 tot 1 november 2014 op de grond dat appellante bedragen had ontvangen door middel van kasstortingen en bijschrijvingen op haar bankrekeningen, waarvan zij geen melding had gemaakt bij het college. Tevens heeft het college bij dat besluit de gemaakte kosten van bijstand over die periode van appellante teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 8.228,08.

1.5.

Bij besluit van 20 november 2015 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 juli 2015 gedeeltelijk gegrond verklaard en het terug te vorderen bedrag gewijzigd in € 6.274,88.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante in de periode van november 2013 tot en met oktober 2014 maandelijks een bedrag of meerdere bedragen, in omvang variërend van enkele tientallen tot enkele honderdtallen euro’s, op haar spaar- of privérekening heeft ontvangen of gestort, zoals vermeld in het advies van de bezwaarschriftencommissie waarop het bestreden besluit is gebaseerd.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat de stortingen en bijschrijvingen leningen betroffen en om die reden geen terugkerend of periodiek karakter hebben en daarom niet tot de middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Wet werk en bijstand en de PW kunnen worden beschouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.2.1.

Kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. Een geldlening is immers in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.

4.2.2.

De bedragen die appellante in de periode van november 2013 tot en met oktober 2014 maandelijks door kasstortingen en/of bijschrijvingen heeft ontvangen waren, zoals appellante zelf heeft verklaard, bedoeld voor levensonderhoud. Niet in geschil is dat appellante de bedragen daartoe daadwerkelijk heeft kunnen aanwenden in de periode waarover zij bijstand ontving. Het college heeft de periodieke kasstortingen en bijschrijvingen gelet op 4.2.1 dan ook terecht aangemerkt als inkomsten die in mindering moeten worden gebracht op de bijstand van appellante.

4.3.

Vaststaat dat appellante de ontvangst van de bedragen niet direct en uit eigen beweging bij het college heeft gemeld. Gelet op de omvang en de frequentie van de kasstortingen en bijschrijvingen had appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de ontvangst ervan van belang kon zijn voor haar recht op bijstand. Door het college hierover niet tijdig te informeren heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Dat appellante in de bezwaarprocedure alsnog openheid van zaken heeft gegeven over de bijschrijvingen en de herkomst van de kasstortingen, zoals appellante heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Omdat zij als gevolg hiervan te veel bijstand heeft ontvangen, was het college op grond van artikel 54, derde lid, van de PW gehouden om de bijstand te herzien dan wel in te trekken over de maanden waarin de geldbedragen zijn ontvangen.

4.4.

Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen afzonderlijke bespreking behoeft.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2017.

(getekend) F. Hoogendijk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD