Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1012

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
14/1582 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen kostenvergoeding. Geen dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1582 AW, 14/1820 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

11 februari 2014, 12/930 en 13/211 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van gedeputeerde staten van Drenthe (college)

Datum uitspraak: 9 maart 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. C.C. Oberman, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Adnani, advocaat.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen de mogelijkheid geboden om onderling tot een regeling te komen.

Op 27 oktober 2015 heeft het college de Raad bericht dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was tot 1 januari 2008 werkzaam bij de provincie Drenthe . Nadat zijn ontslag in rechte was komen vast te staan heeft de rechtbank Assen bij uitspraak van 24 mei 2012, ECLI:NL:RBASS:2012:1888, de beroepen tegen de herziene beoordeling van 8 juli 2009 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. Appellant heeft tegen deze uitspraak geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Naar aanleiding van de uitspraak van 24 mei 2012 heeft appellant het college bij e-mail van 28 mei 2012 verzocht om “de kosten van de betreffende bezwaren te vergoeden”. Zoals appellant later heeft laten weten, strekte dit verzoek ook tot vergoeding van het griffierecht dat hij heeft betaald voor het beroep waarop de uitspraak van 24 mei 2012 betrekking heeft.

1.3.

Bij brief van 11 juli 2012 heeft de gemachtigde van het college aan appellant laten weten dat het college niet bereid is diens kosten te vergoeden, nu de rechtbank hem in het ongelijk heeft gesteld en het college niet heeft veroordeeld in de kosten van de procedure.

1.4.

Bij brief van 11 juli 2012 heeft appellant het college in gebreke gesteld en bezwaar gemaakt in verband met het niet (tijdig) nemen van een besluit op zijn verzoek om kostenvergoeding. Daarbij heeft hij om betaling van een dwangsom verzocht. Deze brief is blijkens het ontvangststempel ontvangen op 16 juli 2012.

1.5.

Bij besluit van 11 december 2012 (bestreden besluit) heeft het college de afwijzing van de gevraagde kostenvergoeding gehandhaafd. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld tijdig te hebben beslist en daarom geen dwangsom verschuldigd te zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen het bestreden besluit

ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college op grond van de uitspraak van 24 mei 2012 niet is gehouden tot de door appellant gevraagde kostenvergoeding. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college geen dwangsom is verschuldigd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de rechtbank, en anders dan appellant, is de Raad van oordeel dat met de brief van

11 juli 2012 van de gemachtigde van het college een besluit op het verzoek van 28 mei 2012 is genomen. In de brief staat in duidelijke en niet mis te verstane bewoordingen vermeld dat de provincie niet tot de kostenvergoeding bereid is. Dat de brief afkomstig is van de gemachtigde en niet van het college zelf, maakt niet dat niet van een besluit van het college kan worden gesproken.

4.2.

Gelet op artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht diende het college op het verzoek te beslissen binnen acht weken na ontvangst daarvan. Anders dan appellant meent is op het verzoek dus tijdig beslist, zodat het college ter zake geen dwangsommen aan appellant verschuldigd is.

4.3.

Dat op het verzoek van appellant afwijzend is beslist, welke beslissing is gehandhaafd bij het bestreden besluit, is, ten slotte, niet onjuist te achten. Dat het college na de uitspraak van de rechtbank van 24 mei 2012, onverplicht en met het oog op de kansen van appellant op de arbeidsmarkt, heeft besloten tot herziening van de beoordeling van 8 juni 2009, maakt niet dat er achteraf alsnog, en in weerwil van wat daarover in genoemde uitspraak is bepaald, een verplichting is ontstaan om de kosten van het desbetreffende beroep te vergoeden.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD