Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1009

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
16/3672 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opheffing functie. Indelingsbesluit. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die tot een gewijzigd indelingsbesluit hadden moeten leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3672 AW

Datum uitspraak: 9 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
21 april 2016, 15/3893 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.R. Schouten-Korwa en dr. H. Bolk.

Het college heeft het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (zaaknummer 16/5973 AW) ter zitting ingetrokken.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1983 werkzaam bij de [faculteit] van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

1.2.

Bij besluit van 20 oktober 2004 zijn de werkzaamheden van appellant ingedeeld in het [functieprofiel] [functie 1] , [functieniveau] . Bij besluit van 28 juni 2005 is, onder verwijzing naar het advies van de Landelijke Adviescommissie Bezwaren Functieordening (LABF) van 28 april 2005, het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2004 ongegrond verklaard. Aan het advies van de LABF ligt ten grondslag dat de werkzaamheden van appellant - hij gaf alleen onderwijs aan doctoraalstudenten en niet aan propedeusestudenten - niet voldoen aan het criterium “uiteenlopende doelgroepen” in de doelgroepomschrijving van het functieprofiel Universitair Hoofddocent (UHD), zodat deze werkzaamheden, anders dan appellant wenst, niet ingedeeld kunnen worden in het functieprofiel UHD.

1.3.

Met ingang van 1 januari 2006 is de aanstelling van appellant op zijn verzoek teruggebracht van 1,0 fte naar 0,8 fte.

1.4.

Bij besluit van 23 juli 2014 heeft het college in het kader van een reorganisatie van de Erasmus School of Law (ESL) de [functie 1] -functie van appellant bij de Sectie Internationaal Privaatrecht en Rechtsvergelijking met ingang van 1 januari 2016 opgeheven. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 16 januari 2015 is appellant als herplaatsingskandidaat, met behoud van zijn huidige salaris en dienstverband voor onbepaalde tijd, voor 0,8 fte aangesteld in de functie van [functie 2] in het [naam project] .

1.6.

Bij brief van 26 maart 2015 heeft appellant het college verzocht terug te komen van het onder 1.2 vermelde besluit van 28 juni 2005.

1.7.

Bij besluit van 19 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover thans nog van belang, het verzoek om terug te komen van het besluit van 28 juni 2005 afgewezen en het bezwaar tegen het besluit van 23 juli 2014 ongegrond verklaard.

1.8.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft ingestemd met het rechtstreeks beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 28 juni 2005.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 28 juni 2005

4.1.

Niet in geschil is dat aan de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 28 juni 2005 ten grondslag ligt dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot een gewijzigd indelingsbesluit.

4.2.

Appellant heeft betoogd dat hij wel degelijk nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die tot een gewijzigd indelingsbesluit hadden moeten leiden. Uit de beleidsnota ‘Uitwerking kwalificatie Onderzoek, Onderwijs en Management 2006 bij Erasmus School of Law, gewijzigd november 2011’ volgt volgens appellant dat in het advies van de LABF, dat ten grondslag ligt aan het besluit van 28 juni 2005, een onjuiste uitleg is gegeven aan het element “uiteenlopende doelgroepen” in de doelgroepomschrijving van het functieprofiel UHD. Daar komt volgens appellant nog bij dat hij reeds kort na het indelingsbesluit, maar ook in latere jaren, enkele malen is gaan tellen hoeveel van de toenmalige UHD’s in de ESL wel zulke “uiteenlopende doelgroepen” als genoemd (propedeuse- en doctoraalstudenten) zouden bedienen. Uit zijn tellingen over de jaren 2002, 2005, 2008 en 2011 zou blijken dat slechts een gering aantal UHD’s voldeed aan het element “uiteenlopende groepen”.

4.3.

De Raad volgt appellant niet in zijn betoog. Het college, dat het verzoek om terug te komen van het besluit van 28 juni 2005 met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft afgewezen, heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die tot een gewijzigd indelingsbesluit hadden moeten leiden. De beleidsnota uit 2011 kan niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb worden aangemerkt, reeds omdat op geen enkele wijze uit die nota kan worden afgeleid dat die betrekking heeft op de situatie ten tijde van het onder 1.2 bedoelde indelingsbesluit. De informatie die appellant op grond van zijn tellingen heeft vergaard, kan evenmin worden aangemerkt als nieuw gebleken feit dat of veranderde omstandigheid die tot een gewijzigd indelingsbesluit had moeten leiden. Daarbij is niet alleen van belang dat appellant zijn tellingen niet met nadere gegevens heeft onderbouwd, maar ook dat appellant kennelijk al vele jaren met de door hem relevant geachte informatie bekend was, terwijl hij al die tijd als [functie 1] werkzaam is geweest en gebleven. Wat appellant heeft aangevoerd kan tot slot niet leiden tot het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 28 juni 2005 evident onredelijk is.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt.

De handhaving van het opheffingsbesluit

4.5.

De meest verstrekkende grond die appellant in het kader van het opheffingsbesluit heeft aangevoerd, is, kort samengevat, de volgende. De artikelen 9.2, eerste lid, 9.7, tweede lid,

en 9.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs (WHW), in onderlinge samenhang bezien, zijn in strijd met artikel 15, derde lid, van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR). Artikel 15, derde lid, van het IVESCR, dat moet worden uitgelegd aan de hand van punt 40 en 45 van het General Comment No. 13 (1999) van het VN-Comité voor de Economische, Sociale en Culturele Rechten en punt 31 en 32 van de UNESCO Recommendation concerning the Status of Higher Education Teaching Personnel (1997) (UNESCO Recommendation 1997), eist in verband met de noodzakelijke onafhankelijkheid van wetenschappers (‘academische vrijheid’) immers een hoge mate van zelfbestuur. Nu appellant op grond van de WHW bij de reorganisatie geen stem mocht hebben binnen het bestuursorgaan - hij heeft als [functie 1] geen recht noch de gelegenheid deel uit te maken van het college en kan evenmin een vertegenwoordiger kiezen binnen dit college -, terwijl dit recht voortvloeit uit dwingend internationaal recht, komt een wettelijke basis aan de bevoegdheid van het bestuursorgaan tot het nemen van het opheffingsbesluit te ontvallen.

4.6.

Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, van de WHW is het college van bestuur belast met het bestuur van de universiteit in haar geheel. Ingevolge artikel 9.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WHW is de raad van toezicht belast met het benoemen van de leden van het college van bestuur. Ingevolge artikel 9.7, tweede lid, van de WHW worden de voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht door Onze minister benoemd.

4.7.

In artikel 15, derde lid, van het IVESCR is bepaald dat de Staten die partij zijn bij dit Verdrag zich verbinden de vrijheid te eerbiedigen die onontbeerlijk is voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en scheppend werk.

4.8.

In punt 40 van het General Comment No. 13 (1999) is te lezen: “The enjoyment of academic freedom requires the autonomy of institutions of higher education. (…) institutional arrangements should be fair, just and equitable, and as transparent and participatory as possible.” En in punt 45: “There is a strong presumption of impermissibility of any retrogressive measures in relation to rights enunciated in the Covenant. (…).”

4.9.

In punt 31 van de UNESCO Recommendation 1997 is te lezen: “Higher education teaching personnel should have the right and opportunity (…) to take part in the governing bodies and to criticize the functioning of higher education institutions, including their own (…).” En in punt 32: “The principle of collegiality includes: Participation of all concerned in internal decision making structures (…). Collegial decisionmaking should encompass decisions regarding curricula, research, allocation of resources.”

4.10.

Daargelaten of aan artikel 15, derde lid, van het IVESCR rechtstreekse werking toekomt als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet, ziet de Raad, anders dan appellant, geen grond voor het oordeel dat de onder 4.6 genoemde bepalingen in strijd zijn met dit artikel. Voor zover uit die bepalingen voortvloeit dat een wetenschappelijk personeelslid zoals appellant geen deel kan uitmaken van het college en ook geen vertegenwoordiger kan kiezen binnen dit college, is dit onvoldoende om te oordelen dat de wetgever in formele zin daarmee niet de vrijheid heeft geëerbiedigd die onontbeerlijk is voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Niet valt in te zien dat artikel 15, derde lid, van het IVESCR, ook als dit wordt bezien in het licht van punt 40 en 45 van het General Comment No. 13 (1999) en punt 31 en 32 van de UNESCO Recommendation 1997, met zich brengt dat het college niet met gebruikmaking van zijn bevoegdheden op grond van de WHW en met inachtneming van de in de WHW verankerde, en in dit geval ook uitgeoefende, medezeggenschapsrechten van de faculteitsraad en de universiteitsraad - van welke raden de helft van de leden wordt gekozen uit het personeel - heeft mogen besluiten tot een reorganisatie teneinde het studiesucces van studenten te verbeteren. In dit verband wordt tevens overwogen dat General Comments en UNESCO Recommendations weliswaar van belang kunnen zijn voor de interpretatie van verdragsbepalingen, maar geen zelfstandige juridisch bindende bepalingen bevatten die rechtstreeks inroepbaar zijn.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat uit het beroep van appellant op artikel 15, derde lid, van het IVESCR niet voortvloeit dat het opheffingsbesluit als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

4.12.

Appellant heeft verder betoogd dat het opheffingsbesluit een schijnopheffing betreft, nu slechts 25% van zijn werkzaamheden is verdwenen. Hij heeft daarbij onder meer gewezen op een uitspraak van de Raad van 19 oktober 1989 (TAR 1989/244; ECLI:NL:CRVB:1989:AK3404), waarin de Raad oordeelde dat wanneer, zoals in dat

geval, 80 à 90% van een betrekking verdwijnt, het samenstel van werkzaamheden dat de betrekking vormde niet meer aanwezig is en sprake is van een opheffing van de betrekking welke in beginsel tot grondslag van een ontslag kan dienen. Volgens appellant brengt die uitspraak mee dat in zijn geval geen sprake is van opheffing van zijn functie.

4.13.

De Raad volgt appellant niet in zijn betoog. Zoals uit bijlage 2 van het Reorganisatieplan ESL volgt, is er bij de Sectie Internationaal Privaatrecht en Rechtsvergelijking voor gekozen om de specifieke expertise inzake IPR en Europees privaat- en procesrecht op UHD-niveau te waarborgen en de rechtsvergelijking te verankeren in de diverse overige vakgebieden binnen de ESL. Die keuze lag, aldus de bijlage, ook in lijn met de ingestelde bijzondere leerstoel European civil procedure, gekoppeld aan de UHD-functie. Met deze in rechte te respecteren keuze is de [functie 1] -functie van appellant opgeheven. Dit brengt tevens mee dat niet relevant is welk deel van de werkzaamheden van appellant is verdwenen en dat het beroep op de uitspraak van de Raad van 19 oktober 1989 geen doel treft.

4.14.

Uit 4.5 tot en met 4.13 volgt dat het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de opheffing van zijn functie, evenmin slaagt.

4.15.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en H.C.P. Venema en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2017.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD