Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1008

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
15/7536 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift. Boete: Bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur zijn als bewijs ontoelaatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7536 WSF

Datum uitspraak: 22 februari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

30 september 2015, 15/296 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is door mr. J.B. Gubbels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2016. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Gubbels. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 8 augustus 2014 heeft de minister de aan appellant toegekende studiefinanciering over de periode april 2012 tot en met juli 2014 herzien, in die zin dat appellant over die periode als thuiswonende studerende is aangemerkt. De minister heeft bij besluit van 12 september 2014 appellant een bestuurlijke boete opgelegd.

1.2.

Appellant heeft op 10 oktober 2014 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van

8 augustus 2014 en 12 september 2014.

1.3.

De minister heeft bij besluit van 20 december 2014 (bestreden besluit) het bezwaar voor zover gericht tegen de herziening niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit, waarbij aan appellant een boete is opgelegd, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar tegen de herziening terecht

niet-ontvankelijk heeft verklaard. Er is geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding. Gelet op de tekst van het bericht was het duidelijk dat het een besluit betrof, in het besluit is vermeld: “Lees de toelichting als je het niet eens bent met een beslissing”, was appellant niet de gehele bezwaartermijn op vakantie en is het verzenden van een pushbericht door de minister geen verplichting maar een extra service. Wat betreft de boete heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister een boete van 50% mocht opleggen omdat de herzieningsbeslissing in stand is gebleven. Ook hoefde de minister geen aanleiding te zien om de boete te matigen en is de opgelegde boete in overeenstemming met de ernst van de overtreding.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betwist de digitale ontvangst van het herzieningsbesluit. Voorts heeft appellant aangevoerd dat het hem niet duidelijk was dat het bericht van 8 augustus 2014 een besluit is waartegen bezwaar mogelijk is. Een rechtsmiddelenclausule ontbreekt en daarmee voldoet dit bericht niet aan de vereisten van artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook heeft de minister ten onrechte op basis van de bevindingen van het huisbezoek geconcludeerd dat hij niet woonde op het adres waaronder hij stond ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) en is er onvoldoende rekening gehouden met zijn draagkracht.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De stelling van appellant in hoger beroep dat hij het besluit tot herziening van de studiefinanciering niet digitaal heeft ontvangen, wordt niet gevolgd. In beroep heeft appellant immers erkend dat hij het bericht van 8 augustus 2014 (digitaal) heeft ontvangen, maar hij dacht dat het een mededeling betrof. Terecht heeft de rechtbank daarover geoordeeld dat het besluitkarakter appellant niet had kunnen en mogen ontgaan. Op het eerste blad van het besluit is immers vermeld dat de hoogte van de aan appellant toegekende studiefinanciering is gewijzigd en dat hij over de jaren 2012, 2013 en 2014 een bedrag van € 5.453,25 te veel heeft ontvangen, welk bedrag zal worden verrekend met de toe te kennen studiefinanciering. Daarmee is de beslissing onmiskenbaar op rechtsgevolg gericht en dus een besluit in de zin van de Awb. Ook over het gestelde ontbreken van de bezwaarclausule onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hieraan wordt toegevoegd dat alle berichten vergezeld gaan van een notificatie-e-mail waarin de in het besluit bedoelde toelichting is opgenomen voor zover appellant – hetgeen gelet op het automatiseringssysteem niet voor de hand ligt – geen notificatie-e-mailbericht heeft ontvangen. Ook heeft appellant in de berichtenstroom herhaaldelijk de in het besluit bedoelde toelichting ontvangen. Voor zover het appellant niettemin niet duidelijk zou zijn geweest hoe bezwaar in te stellen, had hij zich kunnen laten voorlichten door de minister op zijn weg lag om navraag te doen naar de in het besluit van 8 augustus 2014 genoemde toelichting.

4.2.

Het onderzoek naar de feitelijke woon- en leefsituatie van appellant is verricht door twee controleurs in opdracht van een privaat bedrijf waarvan de daar werkzame personen ingevolge een door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uitgevaardigd aanwijzingsbesluit van 19 april 2012 (nr. HO&S/399254, Stcrt. 2012, nr. 8364) belast zijn met het toezicht als bedoeld in artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Ter zitting van de Raad heeft de minister verklaard dat beide controleurs het onderzoek voor dat bedrijf hebben verricht als zelfstandigen zonder personeel.

4.3.1.

Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, is het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 de uitoefening van een overheidstaak en moet met het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend worden omgegaan.

4.3.2.

In zijn uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3566, heeft de Raad overwogen dat met de aanwijzing van werknemers van private bedrijven bij het uitoefenen van dat toezicht de grens, van wat nog aanvaardbaar is, is bereikt. Niet kan worden aanvaard dat private bedrijven dat toezicht, al dan niet onder voorwaarden, (gedeeltelijk) uitbesteden aan een derde. Dit oordeel is herhaald en nader gemotiveerd in de uitspraak van

3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4186. Uit deze uitspraken volgt dat bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur – zijnde een controleur die niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij een eerder bedoeld privaat bedrijf werkzaam is, maar voor dat bedrijf op andere basis werkzaamheden verricht – als bewijs ontoelaatbaar zijn.

4.4.

Nu het onderzoek in deze zaak is verricht door onbevoegde controleurs zijn de bevindingen van dat onderzoek onrechtmatig verkregen en als bewijs ontoelaatbaar.

4.5.

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellant niet woont op het adres waaronder hij staat ingeschreven in de brp, kon er geen boete worden opgelegd.

5. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het bestreden besluit, waar het besluit van 12 september 2014 is gehandhaafd, waarbij een boete is opgelegd, ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover het de handhaving van de boete betreft, gegrond verklaren en dat besluit voor dat deel vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het besluit van 12 september 2014 te herroepen, nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld. Voor het overige kan de aangevallen uitspraak, gelet op wat is overwogen in 4.1, worden bevestigd.

6. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 495,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Omdat (de griffier van) de Raad geen griffierecht heeft geheven, is toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb niet aan de orde.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

20 december 2014, voor zover dit de boete betreft, ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt dit besluit in zoverre;

  • -

    herroept het besluit van 12 september 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 20 december 2014;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.485,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 45,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) N. Veenstra

UM