Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1006

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
16/3855 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de Raad mocht het dagelijks bestuur op grond van de gedragingen van appellant tijdens het incident de gevolgtrekking maken dat het noodzakelijke vertrouwen voor een goed functioneren als brandweerman in hem niet langer aanwezig was. Gezien de verslagen van de door de directeur gevoerde gesprekken had ook een niet onbelangrijk deel van de collega’s van appellant niet langer voldoende vertrouwen in diens verdere functioneren. Hierin mocht het dagelijks bestuur een extra reden zien om te concluderen dat het vereiste vertrouwen in betrokkene er niet langer was. Vanwege het gebrek aan dit vertrouwen kon het dagelijks bestuur betrokkene in redelijkheid eervol ontslag verlenen op grond van artikel 19:42, eerste lid, onder h, van de CAR/UWO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/150 met annotatie van Redactie
TAR 2017/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3855 AW, 16/5406 AW

Datum uitspraak: 9 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

26 april 2016, 15/6507 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.M. van Kerkvoorden hoger beroep ingesteld.

Namens het dagelijks bestuur heeft mr. M.P.W. Steuten, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. Van Kerkvoorden desgevraagd een nader stuk overgelegd en een zienswijze gegeven omtrent het incidenteel hoger beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C. van Vlooten. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Steuten, mr. E.M. Spoor en mr. R.K. Brons.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was aangesteld als vrijwillig brandweerman bij de Veiligheidsregio [regio] , manschap [manschap] .

1.2.

Tijdens de jaarlijkse korpsavond op 9 januari 2015, in de kazerne te [gemeente] , heeft een incident plaatsgevonden waarbij appellant, twee andere brandweermannen, S en B, en hun partners waren betrokken. De waarnemend korpscoördinator R was deze avond aanwezig en heeft, na een gesprek met appellant, S en B op 12 januari 2015, een beschrijving van het incident opgesteld gedateerd op 15 januari 2015. Appellant, S en B hebben ieder afzonderlijk op 19 januari 2015 per e-mail commentaar gegeven op deze beschrijving. Kort samengevat hield het incident in dat appellant, nadat hij opving dat de partner van S zijn partner ‘kutwijf’ noemde, kwaad naar de partner van S ging om excuses te eisen. Er ontstond een worsteling tussen appellant en S, waarbij B en zijn partner ten val kwamen. B pakte appellant vast en beiden kwamen ten val. De waarnemend korpscoördinator trof appellant hierna schreeuwend en tegen bakken aanschoppend aan in de kleedruimte, waarop hij appellant naar buiten stuurde. Buiten voerden appellant en S een gesprek. Vervolgens wilde appellant weer naar binnen, wat de partner van B probeerde te beletten. Appellant duwde haar omver en ontzette de deur. B kwam hierna naar buiten en gaf appellant een klap. De waarnemend korpscoördinator pakte B vast en stuurde appellant naar huis.

1.3.

Nadat het dagelijks bestuur aan appellant zijn voornemen daartoe had meegedeeld en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft het dagelijks bestuur hem bij besluit van 11 februari 2015 op grond van artikel 19:39, onder d, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd wegens zeer ernstig plichtsverzuim.

1.4.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De Adviescommissie bezwaarschriften ambtenarenzaken (commissie) heeft geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en het besluit van 11 februari 2015 te herroepen. De commissie concludeert dat het gedrag van appellant wel plichtsverzuim oplevert, maar dat de opgelegde straf, gegeven de onzorgvuldigheid van het door het dagelijks bestuur verrichte onderzoek naar het verweten gedrag, niet evenredig is. Naar aanleiding van dit advies heeft de directeur van de Veiligheidsregio [regio] onder meer gesprekken gevoerd met appellant en met de leden van de post [manschap] tezamen.

1.5.

Bij besluit van 16 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur, in afwijking van het advies van de commissie, het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag gehandhaafd. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant door eigen toedoen bij het incident betrokken is geraakt en tweemaal escalerend gedrag heeft vertoond waar hij de-escalerend had kunnen optreden. Dit gedrag van appellant is aannemelijk en het dagelijks bestuur deelt niet de conclusie van de commissie dat onzorgvuldig onderzoek is verricht. Appellant heeft ongepast en agressief gedrag vertoond, dat gekwalificeerd moet worden als ernstig plichtsverzuim. Van hem wordt als brandweerman juist verwacht dat hij escalaties voorkomt en het behoort tot zijn taak samen te werken met collega’s. Appellant heeft het vertrouwen in hem ernstig geschaad, de integriteit van de organisatie in diskrediet gebracht en gehandeld in strijd met hetgeen een goede ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Het dagelijks bestuur vindt de straf van ontslag daarom niet onevenredig. Voor het geval het strafontslag in rechte geen stand zou houden baseert het dagelijks bestuur het ontslag van appellant subsidiair op artikel 19:42, eerste lid, onder h, van de CAR/UWO. Het dagelijks bestuur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld er geen vertrouwen in te hebben dat appellant nog geloofwaardig in zijn organisatie kan functioneren. Het incident heeft de onderlinge verhoudingen dusdanig verstoord dat er geen basis meer is voor een vertrouwensrelatie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het ziet op de primaire ontslaggrond, het besluit van 11 februari 2015 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd, met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft de aan appellant verweten gedragingen aangemerkt als plichtsverzuim. Volgens de rechtbank staat in voldoende mate vast dat hij twee keer escalerend gedrag heeft vertoond. Met name de tweede keer acht de rechtbank verwijtbaar. Ook staat vast dat hij woedend tegen kunststof bakken heeft aangeschopt. Dit plichtsverzuim is hem toe te rekenen. Wat betreft de evenredigheid van de straf acht de rechtbank niet alleen de gedragingen van appellant van belang, maar ook de context waarbinnen deze zich hebben afgespeeld. De gedingstukken bieden onvoldoende duidelijkheid over wat er precies is gebeurd en niet helder is wie die avond als aanstichter van het hele incident moet worden gezien. Dit is met name te wijten aan de gebrekkige verslaglegging door het dagelijks bestuur. Mede door het gemis aan informatie komt de rechtbank tot een andere weging en acht zij het disciplinair ontslag een te zware straf. Wat betreft de subsidiaire ontslaggrond stelt de rechtbank vast dat het beroepschrift van appellant noch zijn latere brief van 3 maart 2016 beroepsgronden hiertegen bevat. Eerst ter zitting heeft appellant desgevraagd aangegeven dat hij ook deze ontslaggrond wil aanvechten. De rechtbank acht dat in strijd met de goede procesorde en heeft daarom het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de subsidiaire ontslaggrond, buiten beschouwing gelaten.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

Het incidenteel hoger beroep van het dagelijks bestuur

4.1.

Het dagelijks bestuur keert zich in incidenteel hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat de disciplinaire straf van ontslag niet evenredig is. Daarbij voert hij aan dat de standpunten over de start van het incident niet zozeer uiteenlopen en dat betrokkene wel degelijk fysiek geweld heeft aangewend.

4.2.

De Raad maakt uit de gedingstukken en de toelichting van partijen ter zitting op dat appellant, nadat hij hoorde dat zijn partner werd beledigd door de partner van S, kwaad op die laatste afstapte om excuses te eisen. Hij deed dit kennelijk zodanig dat S het nodig vond om appellant vast te pakken. Verder staat vast dat appellant, toen hij van buiten weer naar binnen wilde en de partner van B hem wilde tegenhouden, de laatste omver liep en ook de deur ontzette. Deze twee gedragingen heeft de rechtbank terecht aangemerkt als escalerend gedrag. Ook heeft appellant in zijn kwaadheid tegen kunststof bakken aangeschopt. Al deze uitingen van onbeheerst optreden, zonder oog voor de effecten daarvan op anderen, zijn in de gegeven situatie, waarin appellant verkeerde met collega-brandweerlieden waarmee hij ook werkte, ongepast. Daar staat tegenover dat het hier ging om een feestavond waar alcohol werd gebruikt, dat een kwestie uit het verleden tussen S en B, die op deze avond opspeelde, aan de basis van het incident ligt, dat appellant opkwam voor zijn partner - wat geenszins een excuus is maar zijn handelen wel enigszins begrijpelijk maakt - en dat ook de andere betrokkenen bij het incident fouten hebben gemaakt in die zin dat zij geen of te weinig de-escalerend gedrag hebben vertoond. Dat geldt niet alleen voor B, die evenals appellant is ontslagen, maar ook voor S, die echter niet is ontslagen. Gezien deze context komt ook de Raad tot de conclusie dat de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag voor appellant onevenredig moet worden geacht.

4.3.

Uit de overwegingen hiervoor volgt dat het incidenteel hoger beroep niet slaagt.

Het hoger beroep van appellant

5.1.

Het beroep van appellant richtte zich tegen het bestreden besluit en dus ook tegen de daarin opgenomen subsidiaire ontslaggrond. Noch het beroepschrift aan de rechtbank van

23 november 2015 noch het aanvullend beroepschrift van 3 maart 2016 bevatte echter tegen de subsidiaire ontslaggrond gerichte gronden. Dit staat er evenwel niet aan in de weg dat appellant in hoger beroep die gronden alsnog kan aanvoeren.

5.2.

De subsidiaire ontslaggrond was niet opgenomen in het besluit van 11 februari 2015, maar is in de bezwaarfase aan het bestreden besluit toegevoegd. Aangezien de bezwaarprocedure is bedoeld voor volledige heroverweging van het besluit waartegen bezwaar is gemaakt, is dit toegestaan (uitspraak van 10 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4470). De bij het volgen van de bezwaarprocedure jegens de bezwaarde in acht te nemen zorgvuldigheid brengt wel mee dat pas een beslissing op bezwaar wordt genomen nadat de bezwaarde op de hoogte is gesteld van de nadere standpuntbepaling en hem de mogelijkheid is geboden zijn zienswijze hierover kenbaar te maken. Dat is echter niet gebeurd. Appellant heeft gesteld dat hij hierdoor is benadeeld, maar hij heeft daarbij geen toelichting gegeven. De Raad neemt in aanmerking dat de subsidiaire ontslaggrond mede berust op dezelfde feiten en omstandigheden als die waarop het primair gegeven strafontslag berust en dat appellant zich daarover in de bezwaarfase heeft uitgelaten. Ook heeft hij in beroep en in hoger beroep de gelegenheid gehad om zijn zienswijze over de subsidiaire ontslaggrond te geven. Het is dan ook aannemelijk dat betrokkene niet is benadeeld omdat hij geen zienswijze kenbaar heeft kunnen maken over de subsidiaire ontslaggrond en de Raad ziet daarom aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren.

5.3.

Zowel in het voornemen tot ontslag als in het besluit van 11 februari 2015 heeft het dagelijks bestuur tot uitdrukking gebracht dat brandweerlieden bij hun werk volledig op elkaar moeten kunnen vertrouwen en dat door het incident het vertrouwen in appellant verloren is gegaan. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de directeur gesprekken gevoerd met collega’s van appellant. Hieruit heeft het dagelijks bestuur geconcludeerd dat er niet alleen bij de leiding maar ook bij het merendeel van de leden van de post [manschap] onvoldoende vertrouwen is in appellant. Naar het oordeel van de Raad mocht het dagelijks bestuur op grond van de gedragingen van appellant tijdens het incident de gevolgtrekking maken dat het noodzakelijke vertrouwen voor een goed functioneren als brandweerman in hem niet langer aanwezig was. Gezien de verslagen van de door de directeur gevoerde gesprekken had ook een niet onbelangrijk deel van de collega’s van appellant niet langer voldoende vertrouwen in diens verdere functioneren. Hierin mocht het dagelijks bestuur een extra reden zien om te concluderen dat het vereiste vertrouwen in betrokkene er niet langer was. Vanwege het gebrek aan dit vertrouwen kon het dagelijks bestuur betrokkene in redelijkheid eervol ontslag verlenen op grond van artikel 19:42, eerste lid, onder h, van de CAR/UWO. Het belang van vertrouwen in collega’s is voor het werk van brandweerlieden zo groot, dat nu dit ontbreekt, de gevolgen van het ontslag voor betrokkene onvoldoende zwaar wegen om te oordelen dat het ontslag onredelijk is. Ook eisers eigen verklaring dat er wel degelijk voldoende vertrouwen in hem is bij zijn collega’s, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, alleen al niet omdat hij hiermee voorbijgaat aan het ontbrekende vertrouwen bij de leiding.

5.4.

Uit de overwegingen hiervoor volgt dat ook het hoger beroep van betrokkene niet slaagt.

Conclusie

6. Uit 4.1 tot en met 5.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van gronden.

7. Aangezien het incidenteel hoger beroep van het dagelijks bestuur niet slaagt, is er aanleiding het dagelijks bestuur te veroordelen in de desbetreffende proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor de schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van

€ 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2017.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) L.L. van den IJssel

HD