Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:1002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
16/825 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overgang naar LFNP-functie. Geen grond om matching onhoudbaar te achten. Rechtspraak detachering buiten de sector politie. Beroep op hardheidsclausule slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/825 AW

Datum uitspraak: 9 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

30 december 2015, 14/2348 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dijkgraaf. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.A.M. Bot en L.M. van den Hil.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Appellant was werkzaam bij de voormalige politieregio [politieregio] . Van 1 mei 2007 tot 1 juni 2013 is hij gedetacheerd geweest als Algemeen Directeur van de [naam stichting] [stichting] , ook wel aangeduid als Stichting [stichting] . Gedurende deze detachering is appellant om administratieve redenen geplaatst op de organieke functie van Projectcoördinator B, gewaardeerd in salarisschaal 13. Ten behoeve van zijn werkzaamheden als Algemeen Directeur van het [stichting] is een aparte functiebeschrijving opgesteld en appellant heeft in verband met deze werkzaamheden

bovenop zijn salaris, gebaseerd op salarisschaal 13, toelagen ontvangen.

1.3.

De uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) is per 31 december 2009 vastgesteld op de functie van Projectcoördinator B. Voor de periode van 1 januari 2010 tot 31 maart 2011 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellant per 1 juni 2010 vastgesteld op zijn op detacheringsbasis vervulde functie als (Algemeen) Directeur [stichting] . Daarbij is als bijzondere situatie vermeld dat met appellant is overeengekomen dat hij in beginsel terugkeert in een passende functie bij het uitlenende korps of enig ander korps binnen de Nederlandse Politie en dat de huidige (persoonlijke) salarisschaal en vooruitzichten na afloop van de detachering blijven gegarandeerd. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen de vaststelling van zijn uitgangspositie.

1.4.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van Bedrijfsvoeringspecialist E, met als vakgebied Bedrijfsvoeringspecialismen, gewaardeerd in salarisschaal 13. Bij besluit van

15 juli 2014 (bestreden besluit 1) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.5.

Appellant heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Hangende dat beroep heeft de korpschef bij besluit van 15 september 2015 (bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 gewijzigd en het besluit van 16 december 2013 gedeeltelijk herroepen, namelijk voor zover deze (eerdere) besluitvorming ziet op de overgang naar een LFNP-functie. De korpschef heeft besloten dat appellant per 1 januari 2012 niet overgaat naar een LFNP-functie, nu de uitgangspositie van appellant per 1 juni 2010 is vastgesteld op de, op basis van detachering buiten de politie vervulde functie van (Algemeen) Directeur [stichting] en appellant daarom op de peildatum van 31 december 2011 geen korpsfunctie (meer) had.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit 1

niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen bestreden besluit 2 gedeeltelijk gegrond verklaard, laatstgenoemd besluit vernietigd voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek van appellant om de korpschef te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

3. Het hoger beroep richt zich - op de hierna te bespreken gronden - uitsluitend tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 “voor het overige” (dat wil zeggen: inhoudelijk) ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de onder 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft de Raad geconcludeerd dat de korpschef bij besluiten over de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie ervan mag uitgaan dat toepassing van de voor het matchingsproces geldende regels tot de in de tabel vermelde uitkomst leidt. Hij mag in beginsel volstaan met een verwijzing naar de transponeringstabel. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling) is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten.

4.2.1.

Appellant heeft, samengevat weergegeven, betoogd dat de matching in zijn geval (anderszins) onhoudbaar is te achten dan wel dat de korpschef de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Regeling had moeten toepassen. Volgens appellant heeft de rechtbank wat betreft de periode vanaf 1 juni 2010 ten onrechte geoordeeld dat de korpschef zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de door appellant op basis van detachering buiten de politie vervulde functie van (Algemeen) Directeur [stichting] niet kan worden gematcht met een LFNP-functie. Hoewel de functie van (Algemeen) Directeur [stichting] geen functie binnen de politie is en er daarom geen korpsfunctiebeschrijving voorhanden is, had de korpschef deze functie kunnen gebruiken voor de matching, nu de functie van (Algemeen) Directeur [stichting] was gericht op de invulling van een specifieke politietaak, de korpschef een belangrijke stem heeft gehad in de functiebeschrijving en een belangrijke stem heeft in het beleid van het [stichting] en daarmee een rechtstreekse invloed heeft gehad op de gedurende een periode van zes jaar aan appellant opgedragen werkzaamheden, aldus appellant.

4.2.2.

Dit betoog slaagt niet. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (uitspraak van

19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4162) is ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Regeling, in verbinding met artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling, de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving, zoals vastgelegd in de uitgangspositie, uitgangspunt bij de matching en niet de door een betrokkene feitelijk verrichte werkzaamheden. Zoals appellant heeft erkend, is de door hem op detacheringsbasis buiten de politie beklede functie van Algemeen Directeur [stichting] geen korpsfunctie en is er voor deze functie daarom geen korpsfunctiebeschrijving. Dat de korpschef in meerdere of mindere mate invloed heeft op het beleid van het [stichting] en invloed heeft gehad op de functiebeschrijving van de Algemeen Directeur [stichting] , dat appellant al gedurende zes jaar op detacheringsbasis functies vervult en dat de op detacheringsbasis vervulde functie van Algemeen Directeur [stichting] met toepassing van het functiewaarderingssysteem van de politie kan worden gewaardeerd, maakt niet dat een uitzondering moet worden gemaakt op het hiervoor genoemde uitgangspunt. Er is dus geen grond om de matching onhoudbaar te achten en te oordelen dat de korpschef ten aanzien van appellant had moeten besluiten tot overgang naar een LFNP-functie. Er was op de peildatum van 31 december 2011 nu eenmaal geen (schriftelijke, formele) korpsfunctiebeschrijving voorhanden op basis waarvan de korpschef een zodanig besluit zou hebben kunnen nemen.

4.2.3.

Daarbij komt dat de Raad in zijn uitspraken van 17 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:960, en 24 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4532, in een geval van detachering buiten de sector politie heeft overwogen dat de regelgever uitdrukkelijk heeft beoogd dat bij de matching geen rekening wordt gehouden met de tijdens de detachering verrichte werkzaamheden. Dit oordeel is in overeenstemming met stap 9a van de beleidsregel Instructie organieke matching, waarin over overige werkzaamheden is bepaald dat bijzondere situaties en afspraken, die ook kunnen zijn opgenomen in de uitgangspositie, in het kader van de organieke matching geheel buiten beschouwing blijven omdat deze zich niet lenen voor enige wijze van matching. Als voorbeeld hiervan is vermeld detachering buiten de sector politie.

4.3.

Het beroep op de in artikel 5, vierde lid, van de Regeling neergelegde hardheidsclausule slaagt evenmin nu in het geval van appellant niet is gebleken van een onbillijkheid van overwegende aard en er geen sprake is van een bijzondere situatie in de zin van artikel 5, vierde lid, van de Regeling. Nu de regelgever uitdrukkelijk heeft beoogd dat de matching slechts korpsfuncties betreft en daarbij geen rekening wordt gehouden met de tijdens de detachering verrichte werkzaamheden, is er geen ruimte om dat door toepassing van de hardheidsclausule alsnog te doen.

4.4.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd in het kader van zijn “zoektocht” naar een nieuwe passende functie (na afloop van de detachering) valt buiten de omvang van dit geding.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2017.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD