Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:100

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
16/3322 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Appellante woonde op het moment van het onderzoek naar haar woonsituatie niet op het brp-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3322 WSF

Datum uitspraak: 11 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 april 2016, 15/5391 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Eskes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

De minister heeft, onder overlegging van een nader stuk, een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Eskes. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, voor de jaren 2013, 2014 en 2015 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellante toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Appellante staat vanaf 16 mei 2013 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) onder het adres [adres] te [woonplaats]. Naast appellante staan onder dit adres ingeschreven een zus van appellante en haar man, die de hoofdbewoners zijn, alsmede een andere zus van appellante.

1.2.1.

Op 9 februari 2015 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe is – onder meer – een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellante op dat moment in de brp stond ingeschreven om te controleren of zij op dat adres woonde. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoner opgenomen. Van het onderzoek is op
17 februari 2015 een rapport opgemaakt. Bij het rapport is de verklaring van de hoofdbewoner gevoegd.

1.2.2.

De hoofdbewoner heeft – onder meer – verklaard dat appellante en zijn andere schoonzus een kamer op het brp-adres delen. Zij betalen samen maandelijks € 300,- voor de huur van de kamer. Appellante overnacht zo’n drie keer per week op het brp-adres. De rest van de week overnacht zij bij vrienden, aldus de hoofdbewoner. In het rapport is – onder meer – vermeld dat in de kamer die als kamer van appellante en haar zus is getoond een eenpersoonsbed met daaronder een eenpersoonsmatras staat. Voorts is een plankenkast en een ladenkast met daarop een spiegel aanwezig. Behoudens enkele poststukken zijn in deze kamer geen spullen van appellante aangetroffen. Desgevraagd heeft de hoofdbewoner verklaard dat zijn vrouw en zijn schoonzussen al hun kleding, schoenen en verzorgingsartikelen delen. Deze kleding, schoenen en verzorgingsartikelen liggen elders in de woning. Voorts heeft de hoofdbewoner verklaard dat hij niet weet waar de studieboeken van appellante liggen. Ten slotte heeft de hoofdbewoner verklaard dat hij alle spullen van appellante heeft laten zien.

1.3.

De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van het rapport en de verklaring, zoals die onder 1.2.2 zijn weergegeven, bij besluit van 13 maart 2015, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 8 september 2015 (bestreden besluit), de aan appellante toegekende studiefinanciering per 1 juni 2013 herzien in die zin dat appellante vanaf die datum is aangemerkt als thuiswonende studerende. Het aan appellante over de periode van juni 2013 tot en met februari 2015 te veel betaalde bedrag van € 4.171,80 is daarbij van haar teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat onduidelijk is of de bij deze zaak betrokken controleurs bevoegd waren om het onderzoek naar haar woonsituatie te verrichten.

3.2.

Voorts heeft appellante in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister met het rapport van de controleurs en de daarbij gevoegde verklaring van de hoofdbewoner aannemelijk heeft gemaakt dat zij op het moment van het onderzoek naar haar woonsituatie niet op het brp-adres woonde.

3.2.1.

Appellante heeft betoogd dat er geen sprake van kan zijn dat het onderzoek naar haar woonsituatie zorgvuldig is verricht, nu zij niet zelf bij het onderzoek aanwezig is geweest en het onderzoek gehaast is verlopen. De hoofdbewoner moest naar zijn werk toe en had helemaal geen tijd voor het onderzoek.

3.2.2.

Verder heeft appellante betoogd dat ten onrechte aan de verklaring van de hoofdbewoner doorslaggevende betekenis is toegekend. Aangezien de hoofdbewoner in ploegendienst werkt, weet hij van alle bewoners van het brp-adres het minst van het reilen en zeilen op dat adres. Volgens appellante is ten onrechte geen althans onvoldoende waarde gehecht aan de nadere door haar in bezwaar en in beroep overgelegde verklaringen alsmede aan de verklaring die haar zus ter zitting van de rechtbank heeft afgelegd.

3.3.

Ten slotte heeft appellante, ter onderbouwing van haar stelling dat zij op het moment van het onderzoek naar haar woonsituatie wel op het brp‑adres woonde, enkele nadere verklaringen overgelegd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De bij deze zaak betrokken controleurs waren bevoegd om het onderzoek naar de woonsituatie van appellante te verrichten. Uit de verklaring die de minister heeft overgelegd, volgt dat deze twee controleurs het onderzoek als sociaal rechercheurs in dienst van de aangewezen gemeente Almere hebben verricht. Hetgeen appellante heeft gesteld biedt geen enkele aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze verklaring.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het rapport van de controleurs en de daarbij gevoegde verklaring van de hoofdbewoner een voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van de minister dat appellante op het moment van het onderzoek naar haar woonsituatie niet op het brp-adres woonde. Hierbij wordt in het bijzonder erop gewezen dat er blijkens de verklaring van de hoofdbewoner op enkele poststukken na in het geheel geen tot appellante te herleiden spullen op het brp-adres lagen. Waar appellante stelt dat zij ten tijde van het onderzoek al ruim anderhalf jaar op het brp-adres woonde, valt redelijkerwijs te verwachten dat op dat adres meer spullen van haar zouden liggen, waaruit kan worden afgeleid dat zij daar woonde.

4.2.1.

Het betoog van appellante dat er geen sprake van kan zijn dat het onderzoek naar haar woonsituatie zorgvuldig is verricht, treft geen doel.

4.2.1.1. Voorop staat dat het voor het uitvoeren van een zorgvuldig en volledig onderzoek in het algemeen niet noodzakelijk is dat de studerende bij het onderzoek aanwezig is. In dit geval is dat niet anders. Als zou blijken dat tijdens het onderzoek bepaalde zaken niet zijn opgemerkt of verkeerd zijn geïnterpreteerd, dan is er tijdens de bezwaarfase ruim de gelegenheid geweest daarvan melding te maken en desgewenst, indien mogelijk, bewijzen te leveren.

4.2.1.2. Voorts is niet gebleken dat het onderzoek zo gehaast is verlopen dat geen sprake kan zijn geweest van een zorgvuldig en volledig onderzoek. Blijkens het rapport is de hoofdbewoner voldoende de gelegenheid geboden om alle spullen van appellante te laten zien en heeft hij deze mogelijkheid door het tonen van poststukken ook benut. Daarnaast is een verklaring van de hoofdbewoner opgenomen die door hem voor akkoord is ondertekend. Ook uit deze verklaring blijkt niet dat de hoofdbewoner ook maar op enige wijze belemmerd is in het tonen van spullen van appellante.

4.2.2.

Het betoog van appellante dat aan de verklaring van de hoofdbewoner geen waarde mag worden gehecht, wordt niet gevolgd. Niet is gebleken dat de hoofdbewoner niet goed op de hoogte was van het reilen en zeilen op het brp-adres. Dat de hoofdbewoner in ploegendienst werkte is niet voldoende voor onderbouwing voor het betoog van appellante. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat wat de hoofdbewoner over de woonsituatie op het brp‑adres tegenover de controleurs heeft verklaard vrijwel geheel is onderschreven door zowel appellante als haar zussen. Voorts is uit de verklaringen van appellante noch uit de verklaringen van haar zussen gebleken dat de hoofdbewoner niet alle spullen van appellante op het brp-adres heeft laten zien. Aan de stelling van appellante dat de hoofdbewoner niet haar studieboeken heeft laten zien, wordt voorbijgegaan, nu appellante niet consistent heeft verklaard waar deze boeken lagen. In beroep en in hoger beroep heeft appellante verklaard dat deze boeken in haar kamer lagen, terwijl zij in bezwaar heeft verklaard dat deze boeken elders in de woning lagen.

4.3.

De door appellante overgelegde verklaring van de buurvrouw alsmede de verklaringen van [naam A], [naam B] en [naam C], inhoudende dat appellante op het moment van het onderzoek naar haar woonsituatie wel op het brp-adres woonde, geven geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Nog daargelaten dat deze verklaringen niet gedetailleerd zijn, doen deze op geen enkele wijze afbreuk aan de tijdens het onderzoek op het brp-adres aangetroffen woonsituatie.

4.4.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) I.G.A.H. Toma

GdJ