Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
14/6686 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening vervolguitkering en vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 55 tot 65%. Zorgvuldig onderzoek. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6686 WIA

Datum uitspraak: 17 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 november 2014, 14/1419 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2016. Namens appellant is

mr. Gürses verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als schoonmaker/bagagemedewerker voor 44 uur per week. Hij is op 16 maart 2009 uitgevallen met psychische klachten. Na voltooiing van de wachttijd van 104 weken is hij in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde uitkering ingevolge de Wet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

Bij besluit van 26 augustus 2013 heeft het Uwv de loongerelateerde uitkering per

14 november 2013 beëindigd en is aan appellant per die datum een vervolguitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 65 tot 80%.

1.3.

Bij brief van 19 november 2013 heeft het Uwv kenbaar gemaakt voornemens te zijn het besluit van 26 augustus 2013 te wijzigen in die zin dat appellant vanaf 19 januari 2014

55 tot 65% arbeidsongeschikt wordt geacht.

2. Bij besluit van 3 februari 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 augustus 2013 gegrond verklaard. De mate van appellants arbeidsongeschiktheid is met ingang van 19 januari 2014 vastgesteld op 55 tot 65%.

3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de beroepsgronden die zich richten tegen de medische kant van het besluit niet slagen. Het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoet aan de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld. De beperkingen van appellant zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 9 januari 2014. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten uiteengezet waarom hij geen aanleiding ziet om verdergaande beperkingen op te nemen. Ook de beroepsgronden die zich richten tegen de arbeidskundige kant van het besluit slagen niet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de geduide functies geschikt zijn voor appellant. De signaleringen bij de functies zijn besproken. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld, onder verwijzing naar het Schattingsbesluit, dat de grond van appellant dat hij de Nederlandse taal niet goed beheerst en daardoor de geduide functies niet kan verrichten, niet slaagt.

4. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij meer beperkingen heeft dan is vastgesteld door de verzekeringsartsen. Het is onbegrijpelijk dat hij niet beperkt is voor werk met een hoog handelingstempo en werken onder tijdsdruk. Daarbij is geen rekening gehouden met de lage rugklachten van appellant. Appellant kan geen van de geduide functies verrichten. Zijn persoonlijk en sociaal functioneren is dusdanig gelimiteerd dat hij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft.

4.1.

Appellant heeft een brief van zijn behandelend psychiater D. Balraadjsing van 9 januari 2015 in geding gebracht. Hierin staat dat appellant chronische klachten heeft. Het behandelplan bestaat uit steunende contacten, op coping gerichte adviezen, controle medicijngebruik en voorkomen van symptoomvererging. Het ziektebeloop is chronisch en onder invloed van externe druk is er een verhoogde kans om depressiever te worden met psychotische overschrijdingen en overmatige achterdocht. Bij schrijven van 22 januari 2016 heeft appellant nadere stukken opgestuurd, te weten een verwijsbrief van de huisarts naar de polikliniek chirurgie van 9 november 2015, een medicatieoverzicht van december 2015, een brief van een dermatoloog van 4 maart 2015 en een brief van een patholoog van 2 februari 2015.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

Ter zitting van de Raad is vastgesteld dat partijen uitsluitend verdeeld zijn over de mate van arbeidsongeschiktheid per 19 januari 2014.

5.3.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende uitgebreid en voldoende zorgvuldig is geweest. De door appellant ingebrachte informatie van zijn behandelaars is in de afweging betrokken, waaronder de door de verzekeringsartsen opgevraagde informatie van psychiater Balraadjsing. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd zich met de bevindingen van de primaire verzekeringsarts te kunnen verenigen. Daarbij heeft hij opgemerkt de gestelde urenbeperking dubieus te vinden, maar deze niet te zullen wijzigen. De stukken die in hoger beroep zijn ingebracht werpen geen ander licht op de zaak. In de ingezonden brief van de behandelend psychiater van 9 januari 2015 wordt de dan actuele situatie van appellant besproken en die ligt ver na de hier in geding zijnde datum van

19 januari 2014. Datzelfde geldt voor de stukken die bij schrijven van 22 januari 2016 in geding zijn gebracht. Ze hebben geen betrekking op de datum in geding en geven ook geen ander beeld van de datum in geding. Gelet op dit oordeel is er geen aanleiding het ter zitting gedane verzoek tot het benoemen van een deskundige in te willigen. De daarvoor benodigde twijfel ontbreekt.

5.4.

Ook wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat er geen aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de geschiktheid van appellant voor de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom de functies, ondanks de signaleringen, passend zijn voor appellant zodat het vastgestelde percentage arbeidsongeschiktheid per 19 januari 2014 juist is.

6. Uit 5.3 en 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van

C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

17 maart 2016.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD