Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:984

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
14/5528 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:7004, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering omdat appellante, ondanks haar lichamelijke en psychische klachten, op de datum in geding in medische zin in staat is haar arbeid te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0435
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5528 ZW

Datum uitspraak: 17 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 augustus 2014, 14/1573 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2016. Namens appellante is

mr. Kaya verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als medewerker post sorteren en heeft zich, met ingang van 25 september 2013 vanuit de situatie dat zij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziek gemeld in verband met gewrichtsklachten. Naar aanleiding van haar ziekmelding heeft appellante op 10 oktober 2013 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft overwogen dat appellante met ingang van 17 oktober 2013 in staat is haar arbeid te verrichten.

1.2.

Bij besluit van 10 oktober 2013 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij met ingang van 17 oktober 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 16 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 januari 2014 ten grondslag gelegd.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig is geweest en dat hij op inzichtelijke wijze heeft uiteengezet dat appellante, ondanks haar lichamelijke en psychische klachten, op de datum in geding in medische zin in staat is haar arbeid te verrichten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de verzekeringsartsen onzorgvuldig onderzoek hebben gedaan naar haar klachten. Ten onrechte hebben volgens appellante deze artsen geen grondig onderzoek gedaan naar met name haar psychische klachten nu het voor haar, vanwege haar beperkte financiële middelen, niet mogelijk was een second opinion te laten verrichten. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de artsen haar belastbaarheid hebben overschat.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. In het vijfde lid van artikel 19 van de ZW is - voor zover hier van belang - bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellante op de datum in geding. Deze arts heeft appellante gezien tijdens de hoorzitting, dossierstudie verricht en informatie van de behandelend sector bij zijn beoordeling betrokken.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 13 januari 2014 overwogen dat de aandoening fibromyalgie een naam is voor chronische pijnklachten aan het houdings- en bewegingsapparaat, waarbij bij onderzoek geen verklarende afwijkingen worden gevonden. Hij heeft voorts overwogen dat de primaire verzekeringsarts deze diagnose bij zijn beoordeling heeft betrokken en dat in het algemeen geldt dat iemand met fibromyalgie normaal, zij het niet excessief, belastbaar geacht kan worden. De stukken geven geen aanleiding voor het oordeel dat de beoordeling van appellante door deze arts onjuist is.

4.4.

De verzekeringsarts heeft in voornoemd rapport overwogen dat de diagnose CTS niet wordt vermeld in de probleemlijst van de huisarts, en dat als appellante deze aandoening zou hebben, dit nog niet de belastbaarheid voor het eigen werk te boven zou gaan. In zijn nader rapport van 1 augustus 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de door appellante in beroep ingezonden stukken opgemerkt dat de omstandigheid dat appellante bijna een jaar na de datum in geding geopereerd zal worden, geen aanleiding geeft om de belastbaarheid op deze datum anders in te schatten. Er zijn geen aanknopingspunten dat deze overwegingen onjuist zijn.

4.5.

Het Uwv heeft in zijn verweerschrift over de geclaimde PTSS-klachten het standpunt ingenomen dat, als appellante deze klachten heeft, dit niet betekent dat appellante haar eigen werk niet kan verrichten, omdat dit werk niet stresserend en gedurende tien uur per week is. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

4.6.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van

C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

17 maart 2016.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD