Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
16/820 ANW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Van de Svb wordt voortvarendheid verwacht. De voorzieningenrechter wijst erop dat verzoekster al vanaf 2012 duidelijkheid tracht te krijgen over haar mogelijke aanspraak op een ANW-uitkering en dat de Svb hierop niet adequaat heeft gereageerd. De voorzieningenrechter acht het niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Ook het verzoek om voorlopige voorziening in de vorm van een voorschot op de ANW-uitkering komt daarom niet voor inwilliging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/820 ANW-VV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats], Marokko (verzoekster)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 15 maart 2016

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2015, 15/7032 en 15/6074 (aangevallen uitspraak). Tevens is een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2016. Namens verzoekster is verschenen mr. Moghni. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Herder.

OVERWEGINGEN

1.1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Verzoekster is op 23 november 2010 gehuwd met [X.]. De echtgenoot van verzoekster is op 30 november 2010 in Marokko overleden. Naar aanleiding van zijn overlijden heeft verzoekster zich op 5 september 2012 tot de Svb gewend voor de toekenning van een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij besluit van 20 september 2012 heeft de Svb verzoekster medegedeeld dat zij geen aanspraak heeft op een ANW-uitkering, omdat het huwelijk bij de Svb niet bekend was.

1.3.

Verzoekster heeft bij brief van 3 mei 2013 opnieuw verzocht om toekenning van een ANW-uitkering. De Svb heeft hierop niet gereageerd.

1.4.

Namens verzoekster is op 31 oktober 2014 verzocht om toekenning van een

ANW-uitkering. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Svb aan de gemachtigde van verzoekster een aanvraagformulier ANW gestuurd.

1.5.

Op 16 maart 2015 is namens verzoekster het onder 1.4 genoemde aanvraagformulier ingezonden. In reactie hierop heeft de Svb verzoekster bericht dat zij zich met een aanvraag moet wenden tot de Caisse Nationale de Securité Sociale (CNSS).

1.6.

Op 27 augustus 2015 heeft de gemachtigde van verzoekster de Svb in gebreke gesteld voor het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag van 16 maart 2015.

1.7.

Op dezelfde datum heeft de Svb een door CNSS in Marokko ingevuld

ANW-aanvraagformulier van verzoekster ontvangen.

1.8.

Bij besluit van 2 september 2015 heeft de Svb verzoekster medegedeeld dat de op

17 maart 2015 ontvangen aanvraag niet in behandeling wordt genomen, omdat de daarin vermelde gegevens onvoldoende zijn om een beslissing te kunnen nemen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op dat bezwaar heeft de Svb nog niet beslist.

2.1.

Verzoekster heeft op 23 september 2015 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de op 17 maart 2015 ontvangen aanvraag. Nadien is om een voorlopige voorziening gevraagd.

2.2.

De rechtbank heeft verzoekster medegedeeld dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 2 september 2015.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank als vaststaand aangenomen dat verzoekster op 27 augustus 2015 via de CNSS een aanvraag om een ANW-uitkering heeft gedaan en dat de Svb nog niet op die aanvraag heeft beslist. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat verzoekster geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij ten aanzien van het uitblijven van een besluit op de aanvraag van 27 augustus 2015 een ingebrekestelling heeft gestuurd aan de Svb. In aanmerking genomen dat het beroep van verzoekster gericht tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag daarmee niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de voorzieningenrechter het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Nu op het beroep is beslist, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

3. Aan het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in hoger beroep is ten grondslag gelegd dat verzoekster geen inkomen heeft en een voorschot wil op de

ANW-uitkering. Verder is aangevoerd dat verzoekster de Svb in gebreke heeft gesteld voor het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 16 maart 2015 en is verzocht om toekenning van een dwangsom.

4.1.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.3.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening als in dit geval gevraagd, moet worden bezien of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Daarbij komt ook in beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die procedure.

4.4.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster reeds op

16 maart 2015 bij de Svb een aanvraag ingediend om toekenning van een ANW-uitkering. Hoewel deze aanvraag niet op de juiste wijze is ingediend bij de CNSS, acht de voorzieningenrechter daarvoor van belang dat de gemachtigde van verzoekster door de Svb op het verkeerde been is gezet door toezending van een (nationaal) aanvraagformulier ANW. De voorzieningenrechter stelt vast dat de Svb in diverse brieven waaronder laatstelijk een schrijven van 16 februari 2016, zelf ook uit gaat van 16 maart 2015 als datum van de aanvraag.

4.5.

De Svb heeft verzoekster bij brief van 9 april 2015 erop gewezen dat zij een

ANW-uitkering dient aan te vragen bij de CNSS in Marokko, dat de extra informatie voor

22 mei 2015 binnen dient te zijn, en dat bij niet tijdig reageren een ANW-uitkering mogelijk pas later ingaat. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Svb verzoekster hiermee heeft medegedeeld dat sprake is van een onvolledige aanvraag, dat zij in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen en dat de termijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag is opgeschort. Naar aanleiding van de ontvangst op 27 augustus 2015 van de volledige aanvraag via de CNSS heeft de Svb verzoekster medegedeeld dat aanvullend onderzoek nodig is naar de levensverwachting van haar overleden echtgenoot ten tijde van het huwelijk en naar de mate van arbeidsongeschiktheid van verzoekster. In november 2015 is aan verzoekster een vragenformulier toegestuurd in het kader van het onderzoek naar de levensverwachting van haar echtgenoot ten tijde van het huwelijk. De Svb heeft de termijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag inmiddels opgeschort tot 30 augustus 2016.

4.6.

In aanmerking genomen dat de Svb de termijn voor het beslissen op de aanvraag van

16 maart 2015 voortdurend heeft opgeschort, is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag. Er is dus geen aanleiding om een voorlopige voorziening in de vorm van een dwangsom toe te kennen.

4.7.

Wat betreft het beslissen op de aanvraag van 16 maart 2015 merkt de voorzieningenrechter op dat van de Svb voortvarendheid wordt verwacht. De voorzieningenrechter wijst erop dat verzoekster al vanaf 2012 duidelijkheid tracht te krijgen over haar mogelijke aanspraak op een ANW-uitkering en dat de Svb hierop niet adequaat heeft gereageerd. De voorzieningenrechter benadrukt daarnaast met klem dat correspondentie met de gemachtigde dient te worden gevoerd en niet met verzoekster zelf.

4.8.

Gelet op hetgeen onder 4.1 en 4.6 is overwogen acht de voorzieningenrechter het niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Ook het verzoek om voorlopige voorziening in de vorm van een voorschot op de ANW-uitkering komt daarom niet voor inwilliging in aanmerking.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2016.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) N. van Rooijen

NK