Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
14/1093 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1093 WAJONG

Datum uitspraak: 12 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

14 januari 2014, 13/752 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 6 augustus 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellant, geboren op

19 mei 1958, uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen, op de grond dat appellant na ommekomst van de wettelijke wachttijd op 19 mei 1976 minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Bij brief van 15 januari 2013 heeft appellant het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 6 augustus 2003. Appellant heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat er in 2003 onvoldoende rekening is gehouden met zijn gezondheidsproblemen. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 1 mei 2013 dit verzoek afgewezen op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft gesteld als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.3.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 mei 2013 bij besluit van 28 augustus 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn brief van 15 januari 2013 ten onrechte heeft opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 6 augustus 2003. Hij stelt dat hij het besluit van 6 augustus 2003 nooit heeft ontvangen. Het Uwv had zijn brief van 15 januari 2013 daarom moeten opvatten als een bezwaarschrift tegen het besluit van 6 augustus 2003. Het Uwv had daarom dit besluit volledig moeten heroverwegen. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij wegens zijn brief van 15 januari 2013 inzage heeft gekregen in zijn dossier, waarbij hij kennis heeft genomen van voor hem onbekende stukken. Omdat onduidelijk is of deze stukken bij de beoordeling in 2003 zijn meegenomen, had het Uwv zijn verzoek om een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor jonggehandicapten in volle omvang moeten toetsen. Voor zover zijn verzoek wel moet worden aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 4:6 van de Awb, heeft appellant betoogd dat er nieuwe feiten en veranderde omstandigheden zijn. Appellant heeft aangevoerd dat bij hem zes diagnoses zijn gesteld van aandoeningen die op zijn 17e/18e levensjaar al latent aanwezig waren. Het Uwv heeft daarmee destijds onvoldoende rekening gehouden. Voor zover onduidelijk is in hoeverre deze diagnoses van invloed zijn op zijn belastbaarheid op zijn 17e/18e levensjaar, heeft appellant verzocht om benoeming van een deskundige. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij, in het kader van een beoordeling op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), met ingang van 31 augustus 2003 80 tot 100% arbeidsongeschikt is geacht. Dit valt volgens appellant niet te rijmen met het standpunt van het Uwv dat hij geen recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor jonggehandicapten, op de grond hij niet arbeidsongeschikt is. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft appellant verwezen naar de vele bij zijn brief van 15 januari 2013, en in bezwaar, in beroep en in hoger beroep overgelegde stukken.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vastgesteld wordt dat appellant eerst in beroep de ontvangst van het besluit van

6 augustus 2003 heeft betwist. Uit de in het dossier aanwezige informatie kan niet worden opgemaakt of het besluit van 6 augustus 2003 op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze aan appellant bekend is gemaakt. Vast staat echter dat appellant sinds 2003 nimmer een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor jonggehandicapten heeft ontvangen en al die tijd geen actie heeft ondernomen tegen het eventueel uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om een Wajong-uitkering. De rechtbank heeft dan ook, vanuit de veronderstelling dat een eerder afwijzend besluit ontbreekt, met recht geoordeeld dat appellant tot aan de datum van zijn verzoek van 15 januari 2013 heeft berust in de weigering hem met ingang van 19 mei 1976 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Ingevolge vaste rechtspraak, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, (uitspraak van 27 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5774) moet de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering appellant met ingang 19 mei 1976 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen, daarom voor de toetsing door de bestuursrechter op één lijn te worden gesteld met een weigering om van een besluit terug te komen als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

4.2.

Zoals is overwogen in de uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1), moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Uit de aanvraag en het bezwaarschrift valt af te leiden dat het hier in elk geval een herhaalde aanvraag betreft voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor jonggehandicapten per 19 mei 1976.

4.3.

Het verzoek van appellant van 15 januari 2013 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van het besluit tot weigering hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor jonggehandicapten toe te kennen met ingang van 19 mei 1976. Het verzoek strekt er tevens dat het Uwv voor de periode na de aanvraag van 15 januari 2013 terugkomt van die weigering.

4.4.

Het Uwv heeft beoordeeld of nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld die aanleiding geven om terug te komen van de eerdere weigering.

4.5.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht en op juiste gronden geoordeeld dat hetgeen appellant heeft vermeld bij zijn aanvraag van 15 januari 2013 en hetgeen hij naar voren heeft gebracht in de bezwaarfase, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb bevat. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat de stukken die appellant heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn standpunt dat er nieuwe feiten en veranderde omstandigheden zijn, voor een groot deel in 2003 tijdens een bezwaar- en/of beroepsprocedure overgelegd hadden kunnen worden. Deze stukken en de daarop gebaseerde argumenten kunnen niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb worden aangemerkt. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het enkele feit dat appellant in het kader van de WAZ voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is bevonden, geen relevant nieuw feit is in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Daarbij is van belang dat de beoordeling van een eventuele toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering voor jonggehandicapten betrekking heeft op de arbeidsbeperkingen van appellant op 19 mei 1976, terwijl de WAZ-beoordeling ziet op die welke hij op 31 augustus 2003 had. Ten slotte heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat bij appellant na 6 augustus 2003 diagnoses zijn gesteld op zichzelf geen nieuw feit oplevert in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Daartoe heeft de rechtbank terecht gewezen op vaste rechtspraak van de Raad inhoudend dat een gestelde diagnose wel een nieuw feit kan opleveren, maar dan moet er wel sprake zijn van een situatie waarin een objectivering wordt gegeven van de op de datum in geding reeds bekende klachten, waarmee wegens het ontbreken van die objectivering eerder niet dan wel minder rekening is gehouden (uitspraak van 31 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:BY2005). Dat laatste is hier niet het geval. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk gemotiveerd dat met de beperkingen van appellant op 19 mei 1976 voldoende rekening is gehouden. Volgens deze arts heeft appellant in het geheel geen nieuwe medische gegevens verstrekt en is hetgeen appellant bij zijn aanvraag en in bezwaar naar voren heeft gebracht slechts een andere interpretatie van de destijds vastgestelde problematiek. Dit laatste is daarom niet aan te merken als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Er is geen aanleiding om dit inzichtelijk onderbouwde oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Voor benoeming van een deskundige bestaat daarom geen aanleiding.

4.6.

Voor zover de aanvraag betrekking had op de toekomst, voldeed deze uiterlijk in de bezwaarfase evenmin aan de daaraan te stellen eisen. Immers uit de onder 4.2 genoemde uitspraak van de Raad van 14 januari 2015 volgt dat een aanvraag om herziening voor zover deze betrekking heeft op de toekomst, uiterlijk in de bezwaarfase van een deugdelijke en toereikende onderbouwing moet worden voorzien, voor zover mogelijk aangevuld met relevant bewijs. Een enkele herhaling van feiten die bekend zijn of konden zijn volstaat daartoe niet. Appellant heeft uiterlijk in de bezwaarfase geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die, voor zover het gaat om aanspraken vanaf de datum waarop de herhaalde aanvraag is ingediend, te weten 15 januari 2013, aanleiding moesten geven tot nader onderzoek door het Uwv en konden bijdragen aan de overtuiging en het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit van 6 augustus 2003 niet kan worden gehandhaafd.

4.7.

De in beroep en in hoger beroep door appellant ingebrachte informatie wordt niet bij de beoordeling van het hoger beroep betrokken gelet op de uitspraken van de Raad van

14 januari 2015 waarin de vaste rechtspraak van de Raad over artikel 4:6 van de Awb op dit punt is bevestigd, maar wel met de aanvulling dat enkel indien de aanvraag, voor zover daarbij is verzocht om herziening voor de toekomst, uiterlijk in de bezwaarfase toereikend is gemotiveerd, (ook) in beroep en hoger beroep voor zodanige motivering nadere bewijstukken kunnen worden aangedragen. Omdat in dit geval de aanvraag van appellant voor de toekomst, als onder 4.6 aangegeven, niet tijdig toereikend is onderbouwd, worden in hoger beroep overgelegde gegevens niet bij de beoordeling van het hoger beroep betrokken.

4.8.

Het Uwv mocht de aanvraag van appellant dan ook afwijzen en het besluit op de aanvraag na bezwaar handhaven. De rechtbank heeft het bestreden besluit terecht in stand gelaten.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en J. Riphagen en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2016.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.L. van den IJssel

JvC