Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
14/3834 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 18 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 augustus 1992, WAO 1991/171

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bij brief van 3 juni 2014 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 augustus 1992, WAO 1991,171.

Het Uwv heeft daarop gereageerd.

Het verzoek is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 5 februari 2016. Verzoeker is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.


OVERWEGINGEN

1. Verzoeker heeft bij brief van 3 juni 2014 meegedeeld dat hij - bij gelegenheid van een ontmoeting met oud GAK/GMD medewerkers - bekend is geworden met een uitspraak van de Raad van 22 maart 1974 (WAO 1973/12). Hij vraagt zich af wat deze uitspraak nog voor hem zou kunnen betekenen. Verzoeker heeft daarna te kennen gegeven dat zijn brief van

3 juni 2014 opgevat dient te worden als een verzoek tot herziening van de uitspraak van de in het procesverloop genoemde Raad van 4 augustus 1992.

2. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de door verzoeker ingebrachte uitspraak uit 1974 niet als een nieuw feit kan gelden. Deze rechtspraak was reeds bekend in 1992. Verder heeft het Uwv erop gewezen dat de uitspraak waarvan herziening is verzocht, ziet op een beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep wegens termijnoverschrijding.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1.

Nu uit de gedingstukken niet blijkt wanneer verzoeker bekend is geworden met de uitspraak die hij aan zijn verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd, kan niet met de vereiste mate van zekerheid worden geoordeeld dat sprake is van een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek dat niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

3.2.

Het verzoek om herziening heeft betrekking op een uitspraak van vóór 1 januari 2013. Dit betekent dat, gelet op artikel 1 van Deel C van de Wet aanpassing bestuursrecht (overgangsrecht), artikel 8:88 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nog van toepassing is. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken uitspraak te openen (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 5 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:319).

3.4.

Bij zijn uitspraak van 4 augustus 1992, WAO 1991/171 heeft de Raad de uitspraak van de voormalige Raad van Beroep te Rotterdam van 29 oktober 1991, WAO 91/75577, waarbij het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard in verband met overschrijding van de beroepstermijn, bevestigd.

3.5.

Verzoeker heeft, onder verwijzing naar de onder 1 genoemde uitspraak van de Raad uit 1974, beoogd een hernieuwde discussie te openen over de uitspraak van de Raad van

4 augustus 1992. Genoemde uitspraak uit 1974 was reeds bekend ten tijde van de uitspraak van de Raad van 4 augustus 1992 en had bovendien geen betrekking op de beoordeling van de ontvankelijkheid. Van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid is niet gebleken. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2016.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.W.L. van der Loo

AP