Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:959

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
14/5906 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegen ongeschiktheid voor de functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2017/643
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5906 AW

Datum uitspraak: 17 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2014, 14/4497 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Het college van bestuur van de Open Schoolgemeenschap Bijlmer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.Chr. Snijders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. H.R.T.M. van Ojen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. V.J. Oranje, advocaat en kantoorgenoot van mr. Snijders. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Dieks, advocaat en kantoorgenoot van

mr. Van Ojen, F.C.M. Grotenhuis en S. van Stelten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 2006 werkzaam bij de Open Schoolgemeenschap Bijlmer (OSB) als [functie].

1.2.

In de periode van juni 2008 tot en met september 2012 zijn er verscheidene (functionerings)gesprekken met appellant gevoerd. Van deze gesprekken zijn verslagen opgesteld.

1.3.

Op 1 maart 2013 heeft het college appellant in kennis gesteld van zijn voornemen hem per 1 augustus 2013 ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor de functie.

1.4.

Nadat appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht heeft het college bij brief van

28 mei 2013 het ontslagvoornemen opgeschort en appellant een laatste mogelijkheid geboden zijn functioneren structureel te verbeteren en hem daarbij externe coaching aangeboden. Bij dit schrijven is een incidentenregistratie over de periode 19 maart 2012 tot en met 3 maart 2013 gevoegd.

1.5.

Op 9 oktober 2013 en 14 maart 2014 zijn functioneringsgesprekken met appellant gevoerd en op 12 mei 2014 een beoordelingsgesprek. Ook van deze gesprekken zijn verslagen opgesteld.

1.6.

Bij besluit van 6 juni 2014 heeft het college appellant per 1 augustus 2014 ontslag verleend op grond van artikel 9.b.3, aanhef en onder 7, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs wegens ongeschiktheid voor de functie.

1.7.

Bij besluit van 10 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 juni 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak, uitspraak van de Raad van 20 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1926, moet ongeschiktheid voor een functie zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist en worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen. Van ontslag wegens ongeschiktheid zal niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de betrokken ambtenaar op zijn functioneren is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld om dit te verbeteren.

4.2.

De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat de gestelde ongeschiktheid voor het vervullen van de functie van [functie] voldoende is aangetoond. Appellant is in functioneringsgesprekken gewezen op tekortkomingen in de communicatie en samenwerking met zijn collega’s, het uitvoeren van opdrachten en het tonen van initiatief, waarbij concrete voorbeelden zijn aangedragen. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog dat het ontslag is terug te voeren op de slechte verhouding tussen hem en zijn leidinggevende B. Uit de gespreksverslagen komt naar voren dat ook eerdere leidinggevenden kritiek hadden op het functioneren van appellant.

4.3.

In eerste aanleg en in hoger beroep heeft appellant schriftelijke verklaringen ingebracht van docenten en leerlingen van de OSB. Uit deze verklaringen komt naar voren dat zij tevreden waren over het werk dat appellant verrichtte en over de wijze waarop hij dat deed. Het college heeft ter zitting bevestigd dat appellant ook zeker een deel van de opdrachten goed heeft uitgevoerd, maar dat het functioneren in zijn geheel genomen niet het vereiste niveau had. Nu de ingebrachte verklaringen de aan de ongeschiktheid voor de functie ten grondslag gelegde concrete gedragingen niet weerleggen, kan daaraan niet de betekenis worden gehecht die appellant voorstaat.

4.4.

Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het college appellant voldoende in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren. In het verslag van het functioneringsgesprek van 5 april 2012 zijn vijf punten aangegeven waarop verbetering van appellant verwacht werd en deze vormen de rode draad in de verslagen van de gesprekken die daarna zijn gevoerd. In de periode september tot december 2013 heeft appellant gesprekken gevoerd met een externe coach.

4.5.

Nu aan appellant in verschillende gesprekken aan de hand van concrete voorbeelden duidelijk is gemaakt op welke punten zijn functioneren tekortschoot, hij voldoende kansen heeft gekregen om zijn functioneren te verbeteren en deze kansen niet heeft weten te benutten, was het college bevoegd aan appellant ongeschiktheidsontslag te verlenen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6.

Op grond van wat onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen treft het hoger beroep geen doel. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M.C.D. Embregts en

J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) A. Mansourova

HD