Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:957

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
14/6608 WSW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een indicatie op grond van de Wsw. Appellant behoort niet tot de doelgroep van de Wsw. Volledig en zorgvuldig medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6608 WSW

Datum uitspraak: 17 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

23 oktober 2014, 13/2093 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Mr. H.J.A. Aerts, advocaat, heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde van appellant.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 11 oktober 2012 een aanvraag gedaan voor een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw).

1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft op verzoek van het Uwv een deskundigenonderzoek door een psycholoog plaatsgevonden. Deze heeft op 22 december 2012 rapport uitgebracht. De verzekeringsarts heeft op basis van dossieronderzoek, anamnese, lichamelijk onderzoek en het rapport van de psycholoog de beperkingen van appellant vastgesteld en op 16 januari 2013 een rapport uitgebracht. Op basis van de uitkomsten van het medisch onderzoek heeft de arbeidsdeskundige onderzoek verricht naar de noodzaak tot aanpassingen in de arbeid en hierover op 17 januari 2013 gerapporteerd.

1.3.

Bij besluit van 17 januari 2013 heeft het Uwv afwijzend beslist op de aanvraag van appellant op de grond dat appellant niet tot de doelgroep van de Wsw behoort. Hij wordt in staat geacht om, ondanks de bij hem objectief vastgestelde beperkingen en daartoe noodzakelijk geachte aanpassingen, binnen redelijke grenzen buiten de Wsw te kunnen werken.

1.4.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 januari 2013 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuw medisch onderzoek verricht en hierover op 4 juni 2013 een rapport uitgebracht. Hij heeft geconcludeerd dat er in medische zin geen redenen zijn om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. Bij besluit van 18 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 17 januari 2013 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het Uwv een volledig en zorgvuldig onderzoek heeft verricht en zij geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de daaraan verbonden conclusies. Het Uwv was dan ook niet gehouden een nader medisch onderzoek te (laten) verrichten. Appellant heeft zijn stelling dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische klachten niet met medische gegevens onderbouwd.

3. Appellant meent dat sprake is van een onvolledig en onzorgvuldig onderzoek en dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische en verstandelijke beperkingen. De intensieve begeleiding die hij nodig heeft kan alleen in het kader van de Wsw geboden worden. De laatste jaren heeft hij op beschutte werkplekken aan re-integratietrajecten deelgenomen en dit heeft niet tot uitstroom in het reguliere bedrijf geleid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geding is de vraag of appellant, gelet op artikel 1, eerste lid, van de Wsw, door zijn beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zal zijn.

4.2.

Aan de besluitvorming van het Uwv dat appellant niet tot de doelgroep behoort, ligt een volledig en zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag. De verzekeringsarts heeft appellant lichamelijk onderzocht en de in het dossier aanwezige medische gegevens en het rapport van de psycholoog bij zijn beoordeling betrokken. De bevindingen van de verzekeringsarts en de psycholoog geven geen aanwijzingen voor een verstandelijke beperking en het Uwv heeft terecht om die reden geen aanleiding gezien een intelligentieonderzoek te laten verrichten.

4.3.

Niet is gebleken dat de medische belastbaarheid van appellant onjuist zou zijn vastgesteld. Appellant heeft weliswaar aangevoerd dat hij door zijn lichamelijke en psychische klachten meer dan wel verdergaand beperkt moet worden geacht, maar hij heeft geen rapporten van een arts of psycholoog in het geding gebracht die zijn opvatting ondersteunen en die twijfel doen rijzen aan de uitkomsten van de onderzoeken van de verzekeringsartsen en de daaraan verbonden conclusies. Het Uwv heeft deze conclusies dan ook mogen volgen.

4.4.

Volgens de arbeidsdeskundige is appellant, rekening houdend met de geduide belastbaarheid, aangewezen op fysiek niet te zwaar werk waarbij hij voldoende van houding kan wisselen. Werkdruk en werktempo dienen vermeden te worden. Bij nieuwe taken moet hij goed worden ingewerkt, goede instructies krijgen en pen en papier als geheugensteuntje kunnen gebruiken. Deze vorm van arbeid is volgens de arbeidsdeskundige ook op de reguliere arbeidsmarkt te vinden. Er is geen aanleiding om aan de bevindingen van de arbeidsdeskundige te twijfelen nu verder ook niet is gebleken dat de noodzakelijk geachte aanpassingen om dergelijke arbeid te kunnen verrichten dermate kostbaar of ingrijpend zijn dat zij in redelijkheid niet van een werkgever in het vrije bedrijf te verlangen zijn. Appellant is dan ook niet uitsluitend aangewezen op arbeid in Wsw-verband. Dat het nog niet is gelukt om appellant toe te leiden naar de reguliere arbeidsmarkt, heeft volgens de arbeidsdeskundige te maken met geringe opleiding, gebrek aan werkervaring en taalachterstand. Dit zijn echter factoren die bij de beoordeling in het kader van de Wsw niet relevant zijn.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2016.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) J.L. Meijer

HD