Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:945

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
14/3400 ZW-V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. De machtiging is niet (tijdig) ingediend. Uiteengezet is dat dit het gevolg is geweest van een samenloop van omstandigheden bij appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0441
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 17 maart 2016

14/3400 ZW-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad [lees: Overijssel] van 1 april 2014, 12/984 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam stichting] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij brief van 31 januari 2011 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen een besluit van het Uwv van 12 januari 2011. Bij het in beroep bij de rechtbank door appellante bestreden besluit van

2 september 2011 heeft het Uwv op het bezwaar beslist. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank op het beroep beslist. Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108,

eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 4 september 2015 heeft de Raad het op 11 juni 2014 door J.A.M. Houberg te Hulshorst namens appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft verzet gedaan.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 3 maart 2016. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Aan de uitspraak van de Raad van 4 september 2015 ligt ten grondslag dat de door de Raad op grond van artikel 8:24 van de Awb verlangde schriftelijke machtiging niet (tijdig) is ingediend en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.

In verzet is erkend dat de machtiging niet (tijdig) is ingediend en is uiteengezet dat dit het gevolg is geweest van een samenloop van omstandigheden bij appellante.

Hierin is geen grond gelegen voor het oordeel dat de uitspraak van de Raad van 4 september 2015 niet juist is. Het verzet is daarom ongegrond.

Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

Aan beoordeling van het verzoek van appellante om veroordeling tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, komt de Raad gelet op de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep niet toe.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2016.

(getekend) T.G.M. Simons

(getekend) C. Moustaïne

HD