Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
14/5105 WWB e.v.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Niet duurzaam gescheiden levend. Inkomsten van echtgenoot op de markt zijn niet inzichtelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5105 WWB, 14/5162 WWB, 14/6351 WWB

Datum uitspraak: 15 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

5 augustus 2014, 14/1846 en 14/1848 (aangevallen uitspraak 1) en van 27 oktober 2014, 14/4298 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. B. Mous, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2016. Namens betrokkene is verschenen mr. Mous. Het college heeft zich in de zaken 14/5105 WWB en 14/5162 WWB, die betrekking hebben op aangevallen uitspraak 1, laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris. In zaak 14/6351 WWB, die betrekking heeft op aangevallen uitspraak 2, heeft het college zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving in de periode van 6 januari 2000 tot en met 14 januari 2013 met haar echtgenoot [B.] (B) bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Nadat betrokkene bij het college had gemeld dat B haar had verlaten, heeft het college haar met ingang van 15 januari 2013 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit het huwelijk van betrokkene en B zijn drie kinderen geboren.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme schriftelijke melding op 21 juni 2012 dat B inkomsten uit arbeid geniet door onder meer in een kledingreparatiewinkel te werken, hebben handhavingspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene en B verleende bijstand. In dat kader hebben de handhavingspecialisten onder meer dossieronderzoek gedaan, diverse instanties om inlichtingen verzocht en op 13 augustus 2013 een huisbezoek afgelegd. Uit dit onderzoek is onder meer gebleken dat B sinds 17 januari 2013 in de Kamer van Koophandel (KvK) staat geregistreerd als ondernemer met een markthandel in textiel, kleding en schoenen, waarbij het adres van betrokkene als bezoekadres staat vermeld. In het dossier van betrokkene en B is verder een marktpas aangetroffen met een KvK-nummer behorend bij een markthandel in gordijnstof op naam van [Y.] (Y), welk bedrijf als eenmanszaak geregistreerd heeft gestaan van 22 oktober 2007 tot 31 december 2012. De handhavingspecialisten hebben vervolgens twee marktmeesters als getuigen gehoord en een gesprek met betrokkene gehad. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 augustus 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

11 september 2013 de bijstand van betrokkene met ingang van 15 januari 2013 in te trekken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat betrokkene zonder daarvan melding te maken bij het college in de periode van 15 januari 2013 tot 29 augustus 2013 niet duurzaam gescheiden heeft geleefd van B en dat zij gezamenlijk beschikten over voldoende middelen.

1.4.

Betrokkene en B hebben op 1 november 2013 opnieuw bijstand aangevraagd naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 24 december 2013 heeft het college deze aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat betrokkene en B niet tijdig de gevraagde gegevens hebben overgelegd.

1.5.

Bij besluit van 24 februari 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren van betrokkene tegen het besluit van 11 september 2013 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat betrokkene de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij niet duurzaam gescheiden heeft geleefd van B.

1.6.

Bij besluit van 13 maart 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren van betrokkene tegen het besluit van 24 december 2013, onder wijziging van de grondslag van de buitenbehandelingstelling in een afwijzing van de aanvraag, ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat betrokkene niet de gevraagde gegevens betreffende de werkzaamheden van B en de daaruit verkregen inkomsten heeft verstrekt, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld met als gevolg dat de aanvraag wordt afgewezen.

1.7.

Bij besluit van 3 april 2014 heeft het college de bijstand van betrokkene en B over de periode van 1 maart 2011 tot en met 14 januari 2013 herzien en de teveel betaalde bijstand tot een bedrag van € 4.995,36 van betrokkene en B teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat betrokkene en B de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden door het college niet te melden dat B een dag per week werkzaam was als marktkoopman.

1.8.

Bij besluit van 24 juni 2014 (bestreden besluit 3) heeft het college de bezwaren van betrokkene tegen het besluit van 3 april 2014 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij niet duurzaam gescheiden leefde, maar dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen

bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

3. Betrokkene heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Het college heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak 1 gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking

4.1.1.

Ten aanzien van de intrekking loopt de te beoordelen periode van 15 januari 2013 tot en met 11 september 2013.

4.1.2.

Het college heeft, zoals ter zitting desgevraagd nader toegelicht, aan het bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat betrokkene in de te beoordelen periode niet duurzaam gescheiden heeft geleefd van B en dat zij daarmee geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Als subsidiair standpunt heeft het college naar voren gebracht dat het recht op bijstand niet is vast te stellen omdat betrokkene de werkzaamheden en de daaruit verkregen inkomsten van B niet heeft gemeld en het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat over de omvang van de werkzaamheden van B geen duidelijkheid bestaat.

4.1.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen voldoende basis bieden voor de conclusie dat betrokkene en B in de hier te beoordelen periode niet duurzaam gescheiden hebben geleefd. Betrokkene heeft op 19 augustus 2013 verklaard dat B bijna dagelijks op haar adres is, dat hij blijft slapen als hij geen slaapplek heeft, dat hij dan ook mee-eet, dat hij nu beschikt over een sleutel en dat zijn spullen nog in haar woning liggen. Dit betekent dat betrokkene gedurende de in geding zijnde periode niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden beschouwd, zodat geen recht op bijstand bestond naar de norm voor een alleenstaande ouder. Aan het door het college in beroep en in hoger beroep ter zitting toegelichte subsidiaire standpunt komt de Raad daarom niet toe. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep van het college slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover deze ziet op de gegrondverklaring van het beroep tegen bestreden besluit 1 en de gegeven opdracht. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaren.

Afwijzing van de aanvraag

4.2.1.

Voorts ligt ter beoordeling voor de afwijzing van de aanvraag van 1 november 2013. De hier te beoordelen periode loopt van 1 november 2013 tot en met 13 maart 2014.

4.2.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie. Indien de betrokkene niet aan deze wettelijke inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.3.

De beroepsgrond van betrokkene dat zij voldoende informatie heeft verstrekt over de werkzaamheden van B en dat het recht op bijstand wel is vast te stellen, slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat betrokkene en B onvoldoende duidelijkheid hebben gegeven over de werkzaamheden van B als marktkoopman en de daaruit verkregen inkomsten. Betrokkene en B hebben hierover immers geen consistente verklaringen afgelegd. Tijdens de werkintake op 9 december 2013 hebben betrokkene en B verklaard dat B sinds kort ongeveer twee dagen per week op de markt staat. B heeft daarnaast op 25 februari 2014 verklaard dat hij twee à drie dagen per week op de markt staat en gemiddeld een omzet tussen de € 100,- en € 250,- per dag heeft. Anders dan betrokkene stelt, heeft zij van deze werkzaamheden van B geen deugdelijke boekhouding of administratie overgelegd. De door betrokkene overgelegde overzichten zijn niet als zodanig aan te merken. Daarbij komt dat deze door betrokkene in bezwaar overgelegde overzichten van de maanden oktober, november en december 2013 niet overeenkomen met de in beroep overgelegde urenoverzichten. Op de urenoverzichten staat bijvoorbeeld 7 december 2013 vermeld als gewerkte dag, terwijl deze in de maandoverzichten niet staat vermeld. Verder stroken deze overzichten niet met de hiervoor genoemde verklaringen van betrokkene en B, omdat op de overzichten aanzienlijk minder dagen dan de in de gesprekken genoemde twee à drie dagen per week vermeld staat. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat betrokkene en B onvoldoende inzicht hebben gegeven in hun financiële situatie met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.4.

Uit 4.2.2 en 4.2.3 volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. De aangevallen uitspraak 1 moet, voor zover deze bestreden besluit 2 betreft, dan ook worden bevestigd.

Herziening en terugvordering

4.3.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 maart 2011 tot en met 14 januari 2013.

4.3.2.

Betrokkene heeft betwist dat B in de hier te beoordelen periode werkzaamheden op de markt heeft verricht en heeft onder meer aangevoerd dat B eerst in januari 2013 de marktkraam van Y heeft overgenomen.

4.3.3.

Niet in geschil is dat B ook in de hier te beoordelen periode op de markt aan

[het plein] aanwezig is geweest. De aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek rechtvaardigt volgens vaste rechtspraak de vooronderstelling dat de desbetreffende persoon ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Vergelijk de uitspraak van 4 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4269. Betrokkene heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De verklaring van marktmeester [K.] (K) van 27 augustus 2013 biedt voldoende grondslag voor de conclusie dat B in de hier te beoordelen periode werkzaamheden verrichtte als marktkoopman. K heeft verklaard dat B sinds maart 2011 tot en met omstreeks januari 2013 in elk geval iedere zaterdag achter een kraam stond, dat hij alleen handelde, dat hij zich in 2011 heeft voorgedaan als Y, dat dit bij een controle van de pasfoto’s op de marktpassen in januari 2013 aan het licht kwam, dat B toen heeft toegegeven dat hij B was en niet Y, dat hij nadat hij erop was gewezen dat hij alleen onder een eigen marktpas mag handelen zelf een marktpas heeft aangevraagd en dat hij sindsdien met deze marktpas tot juni 2013 zeker wekelijks op zaterdag op de markt aan [het plein] staat. K heeft de door hem afgelegde verklaring nadat deze aan hem is voorgelezen voor akkoord ondertekend. Eerst ter zitting van de Raad heeft B aangevoerd dat K pas per augustus 2012 werkzaam was als marktmeester zodat hij geen wetenschap kan hebben van de periode voorafgaand aan augustus 2012. Nog daargelaten dat deze stelling in een zeer laat stadium wordt opgeworpen, betekent deze stelling niet dat de verklaring van K niet zou kunnen kloppen. K heeft immers verklaard over de aanwezigheid van B op de markt uit hoofde van zijn functie als marktmeester. Bovendien heeft B ter zitting van de rechtbank bevestigd dat hij in de hier te beoordelen periode op de markt is geweest om zich te oriënteren, te netwerken en dat zijn aanwezigheid als een onbetaalde stage moet worden gezien.

4.3.4.

De beroepsgrond dat deze marktmeester ten onrechte Y voor B heeft aangezien slaagt evenmin. Marktmeester K heeft immers in zijn verklaring een duidelijk onderscheid gemaakt tussen B en Y en gedetailleerd uiteengezet dat Y achteraf bezien steeds B bleek te zijn geweest. Geen grond wordt gezien de juistheid van de verklaring van K in twijfel te trekken. Daarbij is tevens van belang dat K de controlerende functie van marktmeester bekleedt. Aan de door betrokkene overgelegde verklaring van Y, inhoudende dat B nooit bij hem in zijn marktkraam heeft gestaan en in januari 2013 zijn marktkraam heeft overgenomen, kan voorts mede gelet op de gedetailleerde verklaring van K en de in 4.3.3 genoemde verklaring van B zelf niet de waarde worden gehecht die betrokkene daaraan gehecht wenst te zien.

4.3.5.

Uit 4.3.2 tot en met 4.3.4 volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak 2 moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover deze ziet op de gegrondverklaring van het

beroep tegen het besluit van 24 februari 2014 en de gegeven opdracht;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 februari 2014 ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover deze ziet op het besluit van 13 maart 2014;

- bevestigt de aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en G.M.G. Hink en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD