Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
11/2655 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling hoger beroep. Schending redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2655 WIA

Datum uitspraak: 4 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikelen 8:73a, 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet respectievelijk artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht en in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

12 april 2011, 10/947 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 28 november 2014 een tussenuitspraak gedaan, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2014:3958.

Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 6 februari 2015 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij vanaf 4 maart 2010 in aanmerking komt voor een

WGA-loonaanvullingsuitkering in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%.

Bij brieven van 9 maart 2015 en 3 april 2015 heeft mr. L.S. Slinkman namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Tevens is verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn van de procedure.

Bij brief van 22 juni 2015 heeft het Uwv verweer gevoerd tegen het verzoek om veroordeling in de proceskosten.

De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding vanwege mogelijke overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat der Nederlanden (ministerie van Veiligheid en Justitie) in zoverre mede als partij aangemerkt.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.

1.2.

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld door de bestuursrechter.

1.3.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet (oud) was deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Per 1 januari 2013 is artikel 8:108 van de Awb in de plaats gekomen van het tot die datum geldende artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet. Op grond van het overgangsrecht is artikel 8:108 van de Awb eerst van toepassing op een hoger beroep tegen een op of na 1 januari 2013 bekendgemaakte rechtbankuitspraak en blijft artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet van toepassing op rechtbankuitspraken van eerdere datum.

2. Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 6 februari 2015 volledig aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen. Gelijktijdig heeft hij de Raad verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten en heeft hij om schadevergoeding verzocht in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van de procedure.

3.1.

Omdat de rechtbank al een veroordeling in de proceskosten heeft uitgesproken, staat voor de Raad nog slechts ter beoordeling de in hoger beroep gemaakte kosten.

3.2.

Er wordt aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De te vergoeden kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op

€ 1.736,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1,5 punt voor het bijwonen van de zitting en de nadere zitting en 1 punt voor het geven van twee schriftelijke zienswijzen), € 1.367,30 voor vergoeding van de kosten van de door appellant geraadpleegde medisch adviseur D.J. Schakel en psychiater R. Douma en € 201,44 voor de door appellant gemaakte reiskosten naar de zittingen van de Raad en ten behoeve van de medische onderzoeken, waarmee het totaalbedrag aan te vergoeden kosten komt op € 3.304,74. De door appellant gemaakte reiskosten naar zijn raadsman en de eigen bijdrage voor diens rechtshulp zijn begrepen in de vergoeding van de rechtsbijstand.

4. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in hoger beroep kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

5. Over het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt als volgt overwogen.

5.1.

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

5.2.

Zoals reeds eerder is overwogen in de uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 is verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur van het geval te rechtvaardigen. Daarvan is in het voorliggende geval niet gebleken.

5.3.

Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van

20 april 2010 op 26 mei 2010 tot de datum van deze uitspraak op 4 maart 2016 zijn bijna zes jaar verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim drie maanden geduurd. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op

21 september 2010 heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank tot de uitspraak op 12 april 2011 ruim zes maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift van appellant op 4 mei 2011 tot de datum van deze uitspraak vier jaar en tien maanden geduurd. Daarmee is vastgesteld dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden.

5.4.

Wat in 5.2 en 5.3 is overwogen betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase heeft plaatsgevonden en voor rekening van de Staat komt. Zoals in meergenoemde uitspraak van 26 januari 2009 is overwogen, is een vergoeding gepast van

€ 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Gelet op de overschrijding van bijna twee jaar ziet de Raad aanleiding te bepalen dat een vergoeding van € 2.000,- ten laste van de Staat komt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 3.304,74;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn van € 2.000,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2016.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) M.D.F. de Moor

NK