Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:926

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
14/5623 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit 4.2 volgt dat slechts aannemelijk is geworden dat appellante in de in geding zijnde perioden in twee gevallen betrokken is geweest bij het op haar naam zetten van auto’s en dat zij twee huurcontracten van woningen heeft ondertekend. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv te kennen gegeven dat als uitsluitend deze feiten als vaststaand worden aangenomen, slechts gesproken kan worden van een door appellante verrichte vriendendienst en dat dan geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. Nu deze situatie zich voordoet, is de conclusie dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante het Uwv vanaf 21 maart 2005 onjuist heeft geïnformeerd en daarmee haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hieruit volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot intrekking van de WW-, ZW- en WIA-uitkering te besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5623 WW, 14/5624 WIA, 14/5625 ZW, 14/5626 ZW

Datum uitspraak: 9 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 augustus 2014, 13/4528, 13/4529, 13/4531, 13/4532 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

J. [B.] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. Albers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Albers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving sinds 21 maart 2005 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Appellante heeft zich vanuit deze uitkeringssituatie op 19 januari 2007 ziek gemeld, waarna het Uwv haar per die datum een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) heeft toegekend. Deze ZW-uitkering is per 28 juli 2008 beëindigd, en de WW-uitkering is per die datum herleefd. Na een ziekmelding heeft het Uwv appellante per 20 april 2009 opnieuw een ZW-uitkering toegekend. Het Uwv heeft appellante vervolgens met ingang van

17 januari 2011 een IVA-uitkering toegekend.

1.2.

In de loop van 2011 is het Uwv een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante toegekende uitkeringen, omdat appellante een tiental kentekens op haar naam zou hebben staan. Inmiddels was de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam een onderzoek gestart naar de ex-man van appellante, [X.], die een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontving. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een Proces-verbaal uitkeringsfraude van 1 november 2011. De DWI heeft (onder meer) geconcludeerd dat [X.] samen met appellante handelde in auto’s en dat [X.] al jaren woningen huurde en deze doorverhuurde aan derden. Nadat de DWI dit proces-verbaal ter beschikking had gesteld aan het Uwv, heeft het Uwv het onderzoek naar (onder meer) inkomsten van appellante uit autohandel en doorverhuur van woningen voortgezet. Tijdens dit onderzoek, waarin appellante is gehoord, heeft het Uwv onder meer geconstateerd dat in de periode van 21 maart 2006 tot en met 11 oktober 2010

149 kentekens op naam van appellante geregistreerd hebben gestaan en dat haar handtekening onder twee huurcontracten stond van woningen die werden doorverhuurd aan derden. Op basis van het verrichte onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een Onderzoeksrapport van 23 januari 2013, heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante samen met [X.] handelde in auto’s en woningen doorverhuurde aan derden. Het Uwv heeft geconstateerd dat appellante het Uwv niet heeft geïnformeerd over deze werkzaamheden en dat zij heeft verklaard geen administratie te hebben bijgehouden van de autohandel en verhuur van woningen.

1.3.

Op basis van de onderzoeksresultaten is het Uwv tot de volgende besluitvorming gekomen.

1.3.1.

Bij besluit van 22 mei 2013 (besluit 1) heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante met toepassing van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW vanaf 21 maart 2005 ingetrokken op de grond dat het recht niet kan worden vastgesteld, omdat appellante niet inhoudelijk heeft gereageerd op de vragen van de inspecteur. Bij besluit van 28 mei 2013 (besluit 2) heeft het Uwv de over de periode van 21 maart 2005 tot en met 21 januari 2007 en van 28 juli 2008 tot en met 19 april 2009 onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 45.795,98 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 25 september 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het besluit van 22 mei 2013 gehandhaafd, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 mei 2013 gegrond verklaard en de aanvangsdatum van de periode van terugvordering op 21 maart 2006 gesteld, en het bedrag van de terugvordering nader vastgesteld op € 28.453,67.

1.3.2.

Bij besluit van 29 mei 2013 (besluit 3) heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de ZW vanaf

19 januari 2007 ingetrokken op de grond dat het recht niet kan worden vastgesteld, omdat appellante niet inhoudelijk heeft gereageerd op de vragen van de inspecteur. Bij besluit van

29 mei 2013 (besluit 4) heeft het Uwv de over de periode van 19 januari 2007 tot en met

27 juli 2008 onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 27.530,01 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 19 september 2013 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 29 mei 2013 ongegrond verklaard.

1.3.3.

Bij besluit van 29 mei 2013 (besluit 5) heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de ZW vanaf 20 april 2009 ingetrokken op de grond dat het recht niet kan worden vastgesteld, omdat appellante niet inhoudelijk heeft gereageerd op de vragen van de inspecteur. Bij besluit van 29 mei 2013 (besluit 6) heeft het Uwv de over de periode van 20 april 2009 tot en met 16 januari 2011 onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 33.663,13 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 19 september 2013 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 29 mei 2013 ongegrond verklaard.

1.3.4.

Bij besluit van 31 mei 2013 (besluit 7) heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante met toepassing van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA, vanaf

17 januari 2011 ingetrokken op de grond dat het recht niet kan worden vastgesteld, omdat appellante niet inhoudelijk heeft gereageerd op de vragen van de inspecteur. Bij besluit van

4 juni 2013 (besluit 8) heeft het Uwv de over de periode van 17 januari 2011 tot en met 31 december 2012 onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 40.940,50 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 19 september 2013 (bestreden besluit 4) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 31 mei 2013 en 4 juni 2013 ongegrond verklaard.

1.3.5.

In de bestreden besluiten 1 tot en met 4 heeft het Uwv de intrekking van de uitkeringen nader gemotiveerd. Het Uwv heeft gesteld dat appellante zich ten aanzien van gestelde vragen regelmatig op haar zwijgrecht heeft beroepen. Een beroep op het zwijgrecht is volgens het Uwv toegestaan. Maar als er aanwijzingen zijn dat er inkomsten (in welke vorm dan ook) zijn verkregen uit autohandel en doorverhuur van onroerend goed, kan als gevolg van het beroep op het zwijgrecht niet worden vastgesteld of recht bestaat op uitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 4 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de perioden in geding werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft gehad. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de onderzoeksresultaten is gebleken dat appellante een groot aantal voertuigen (korte tijd) op haar naam heeft gehad zodat gesproken kan worden van autohandel, in de zin van op geld waardeerbare activiteiten bij de verkoop van auto’s. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat uit het onderzoek volgt dat appellante verscheidene huurcontracten heeft afgesloten en de gehuurde woningen heeft doorverhuurd. Nu volgens de rechtbank vaststaat dat appellante van deze werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende inkomsten geen melding heeft gedaan aan het Uwv, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat er, als zij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende perioden recht op uitkering zou hebben bestaan. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante tijdens het verhoor door de opsporingsfunctionaris van het Uwv op verscheidene vragen, waaronder omtrent autohandel, rekeningnummers en inkomsten, geen antwoord heeft wensen te geven. Gelet daarop heeft het Uwv niet kunnen vaststellen of en zo ja in welke mate appellante recht had op uitkering. Het Uwv heeft de uitkeringen van appellante dan ook op goede gronden ingetrokken. Daarmee is volgens de rechtbank tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden om de ten onrechte betaalde uitkeringen terug te vorderen. De rechtbank heeft geen dringende redenen aanwezig geacht op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk af had moeten zien van terugvordering.

3. Appellante heeft in hoger beroep primair betoogd dat het, gelet op het feit dat het gaat om een zeer belastende stopzetting van uitkeringen en een zeer hoge terugvordering, niet voldoende is dat het Uwv aannemelijk maakt dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking. In de visie van appellante zou het Uwv dat moeten bewijzen. Subsidiair heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat zij niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting. Zij heeft erop gewezen dat zij zich tegenover de opsporingsfunctionaris van het Uwv niet telkens heeft beroepen op haar zwijgrecht, maar de vragen over de autohandel en het doorverhuren van woningen heeft beantwoord. Appellante heeft benadrukt dat [X.] heeft bekend dat hij verschillende kentekens en huurcontracten (kort) op haar naam heeft gesteld, maar dat appellante daar in (bijna) alle gevallen niets van wist. In een uitzonderlijk geval was zij daar wel van op de hoogte, maar zij heeft nooit iets verdiend aan die transacties en heeft dus ook niet kunnen vermoeden dat het van invloed zou kunnen zijn op haar uitkeringen. Appellante heeft erop gewezen dat [X.] inmiddels is veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf. Meer subsidiair heeft appellante gesteld dat er geen reden is om over te gaan tot volledige terugvordering, nu niet duidelijk is geworden hoeveel voordeel appellante in de verschillende perioden zou hebben gehad. Tot slot heeft appellante betoogd dat sprake is van een dringende reden om af te zien van terugvordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vooropgesteld wordt dat het bij een besluit tot intrekking van uitkeringen als hier aan de orde gaat om een belastend besluit waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren en daarmee te onderbouwen dat geen recht op uitkering heeft bestaan. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat appellante vanaf 21 maart 2005 werkzaamheden verrichtte in de autohandel en de onderverhuur van woningen en daaruit inkomsten ontving.

4.2.

Het Uwv is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat appellante vanaf 21 maart 2005 werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen. Daartoe geldt het volgende.

4.2.1.

Ter zitting heeft appellante verklaard dat zij in de in geding zijnde perioden in twee gevallen betrokken is geweest bij het op haar naam zetten van auto’s, dat zij twee huurcontracten van woningen heeft ondertekend, maar overigens niet betrokken is geweest bij, en niets heeft geweten van, de autohandel en de doorverhuur van woningen door [X.]. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante dit in alle fasen van de procedure consistent heeft verklaard. Al tegenover de opsporingsfunctionaris van het Uwv heeft appellante verklaard dat zij wel eens met iemand is mee geweest naar het postkantoor om een auto over te schrijven en af te rekenen, maar dat zij nooit heeft geweten dat van 21 maart 2006 tot en met 11 oktober 2010 149 auto’s op haar naam geregistreerd hebben gestaan. Zij heeft in dat kader toegelicht dat ooit een kopie is gemaakt van haar rijbewijs en dat daarmee bij autobedrijven auto’s op haar naam werden gezet. Tijdens ditzelfde verhoor heeft appellante erkend dat zij de huurcontracten van de woningen op de adressen [adres 1]

te Amsterdam en [adres 2] te Amsterdam heeft ondertekend, maar dat zij zich verder niet heeft bemoeid met die woningen. Voorts heeft zij verklaard dat de op haar bankrekening gedane transacties met betrekking tot de autohandel niet door haar zijn verricht, maar door [X.]. Deze verklaringen worden ondersteund door de door [X.] op

11 december 2012 en 2 februari 2014 op schrift gestelde verklaringen. Daarin heeft hij gesteld dat appellante van een groot aantal auto’s niet heeft geweten dat die op haar naam geregistreerd stonden, omdat hij een kopie van haar paspoort had gemaakt en de tenaamstelling dan werd verricht door een garagebedrijf. Ten aanzien van de doorverhuur van woningen heeft [X.] verklaard dat appellante inderdaad enkele woningen op haar naam heeft gehad, dat zij dat op zijn verzoek heeft gedaan, en dat hij zelf alle handelingen tot het verkrijgen van huurcontracten heeft verricht. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft [X.] op 8 mei 2012 verklaard dat als hij voertuigen had gekocht die meestal op naam van appellante of zijn dochter werden gezet en dat hij voor de verkoop van voertuigen de rekening gebruikte van appellante en haar moeder. Niet valt in te zien waarom deze verklaringen ongeloofwaardig zijn, zoals het Uwv heeft gesteld maar niet heeft onderbouwd. Zo wordt de door appellante en [X.] beschreven handelwijze met betrekking tot de tenaamstelling van de auto’s bevestigd door een door de DWI gehoorde medewerker van autobedrijf [Y.], die heeft verklaard dat hij appellante niet herkende op de aan hem getoonde foto en dat de door [X.] aangekochte auto’s op naam moesten worden gezet van een zekere [B.]. [Y.] heeft gefactureerd aan X. [B.].

4.2.2.

In de gedingstukken kunnen voorts geen aanknopingspunten worden gevonden voor de conclusie van het Uwv dat appellante, in strijd met de door haar afgelegde verklaringen, toch op meer dan incidentele basis werkzaamheden heeft verricht in de autohandel en bij het doorverhuren van woningen en daar inkomsten uit heeft ontvangen. Uit het proces-verbaal van de DWI blijkt dat tijdens dat onderzoek 57 getuigen zijn gehoord in het kader van eventuele autohandel door [X.]. Het Uwv heeft daarvan dertien verklaringen overgenomen in het Onderzoeksrapport. Uit deze dertien verklaringen blijkt dat slechts één getuige heeft verklaard dat hij appellante van de foto herkent als de vrouw die samen met hem naar het postkantoor is geweest om de auto op zijn naam te zetten en aan wie hij de aankoopprijs heeft betaald. Dit strookt met de door appellante afgelegde verklaring dat zij wel eens met iemand is mee geweest naar het postkantoor om een auto over te schrijven en af te rekenen. De overige gehoorde getuigen hebben verklaard appellante niet te herkennen van de aan hen getoonde foto of appellante te herkennen als de vrouw dan wel partner van [X.]. Uit het proces-verbaal van de DWI blijkt dat tijdens dat onderzoek zeven getuigen zijn gehoord in het kader van eventuele doorverhuur van woningen door [X.]. Het Uwv heeft geen van deze verklaringen overgenomen in het Onderzoeksrapport en heeft het standpunt dat appellante werkzaamheden heeft verricht in de woningverhuur (blijkbaar) uitsluitend gebaseerd op het feit dat twee huurcontracten op naam van appellante stonden.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat slechts aannemelijk is geworden dat appellante in de in geding zijnde perioden in twee gevallen betrokken is geweest bij het op haar naam zetten van auto’s en dat zij twee huurcontracten van woningen heeft ondertekend. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv te kennen gegeven dat als uitsluitend deze feiten als vaststaand worden aangenomen, slechts gesproken kan worden van een door appellante verrichte vriendendienst en dat dan geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. Nu deze situatie zich voordoet, is de conclusie dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante het Uwv vanaf 21 maart 2005 onjuist heeft geïnformeerd en daarmee haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hieruit volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot intrekking van de WW-, ZW- en WIA-uitkering te besluiten. Zowel de aangevallen uitspraak als de bestreden besluiten 1 tot en met 4 zullen daarom worden vernietigd. Gelet op de omvang van het uitgevoerde onderzoek en het tijdsverloop wordt het Uwv niet in de gelegenheid gesteld opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellante. De besluiten van 22 mei 2013, 29 mei 2013 en 31 mei 2013 (besluiten 1, 3, 5 en 7), waarbij is vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een WW-, ZW- en WIA-uitkering zullen worden herroepen. Dat geldt eveneens voor de terugvorderingsbesluiten van 28 mei 2013,

29 mei 2013 en 4 juni 2013 (besluiten 2, 4, 6 en 8).

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante. De kosten van rechtsbijstand in bezwaar worden begroot op € 1.488,- (1 punt voor de bezwaarschriften,

1. punt voor het verschijnen ter hoorzitting, waarde per punt € 496,-, gewichtsfactor 1 en wegingsfactor 1,5 omdat sprake is van 4 of meer samenhangende zaken). De kosten van rechtsbijstand in beroep worden begroot op € 1.488,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 496,-, gewichtsfactor 1 en wegingsfactor 1,5 omdat sprake is van vier of meer samenhangende zaken). De kosten van rechtsbijstand in hoger beroep worden begroot op € 992,- (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 496,- , gewichtsfactor 1). In totaal bedragen de kosten € 3.968,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 19 september 2013 en

25 september 2013 (bestreden besluiten 1 tot en met 4);

- herroept de besluiten van 22 mei 2013, 28 mei 2013, 29 mei 2013, 31 mei 2013 en

4 juni 2013 (besluiten 1 tot en met 8) en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 19 september 2013 en 25 september 2013;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 298,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.968,-.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en C.C.W. Lange en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) V. van Rij

MK