Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:925

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
14/5044 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WAO-uitkering. Inkomsten uit werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5044 WAO

Datum uitspraak: 11 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

1 augustus 2014, 13/9672 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dezfouli. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 19 januari 2004 is appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100 %. Met ingang van 28 juli 2004 is appellant tevens een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) toegekend.

1.2.

In een rapport met bijlagen van de afdeling handhaving van het Uwv van

18 februari 2013 is vermeld dat appellant in de periode vanaf 1 oktober 2008 werkzaamheden heeft verricht in [restaurant X.] en hieruit loon heeft ontvangen. Appellant heeft deze werkzaamheden en inkomsten niet bij het Uwv gemeld.

1.3.

Bij besluit van 10 april 2013 (primair besluit 1) heeft het Uwv, rekening houdend met de volgens hem uit de onder 1.2 genoemde werkzaamheden genoten inkomsten, kennelijk onder toepassing van artikel 44 van de WAO, de uitkering van appellant over de periode van

1 oktober 2008 tot en met 31 maart 2013 uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid zoals weergegeven in de bijlage bij dat besluit. Bij een tweede besluit van 10 april 2013 (primair besluit 2) heeft het Uwv de toeslag van appellant over de periode van 1 oktober 2008 tot en met 31 maart 2013 verlaagd zoals weergegeven in de bijlage bij het besluit. Bij het primair besluit 2 heeft het Uwv een bedrag van € 12.253,36 aan ten onrechte aan appellant betaalde toeslag van hem teruggevorderd. Bij een derde besluit van 10 april 2013 (primair besluit 3) heeft het Uwv over de periode van 1 oktober 2008 tot en met 31 maart 2013 een bedrag van € 58.069,46 aan ten onrechte aan appellant betaalde WAO-uitkering (€ 45.816,10) en toeslag (€12.253,36) van hem teruggevorderd.

1.4.

Bij het besluit van 13 november 2013 (bestreden besluit) is het door appellant tegen de besluiten van 10 april 2013 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, omdat de WAO-uitkering en de toeslag over de maanden februari 2013 en maart 2013 ten onrechte zijn herzien. Bij het bestreden besluit is het teruggevorderde bedrag aan WAO-uitkering en toeslag nader vastgesteld op € 55.410,52.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de gedingstukken voldoende aanknopingspunten bieden voor het standpunt van het Uwv dat appellant van 1 oktober 2008 tot en met januari 2013 werkzaamheden bij [restaurant X.] heeft verricht. De rechtbank kent daarbij met name betekenis toe aan de in 2012 afgelegde getuigenverklaringen en de verklaring die appellant heeft afgelegd tegenover de fraude-inspecteur van het Uwv. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat appellant geen melding bij het Uwv heeft gemaakt van zijn inkomsten uit werkzaamheden bij [restaurant X.] terwijl hij zelf wel verantwoordelijk was om deze informatie tijdig aan het Uwv door te geven. Het kon appellant redelijkerwijs duidelijk zijn dat de inkomsten van invloed konden zijn op de hoogte van zijn uitkering zodat het Uwv terecht terugwerkende kracht heeft verleend aan de toepassing van de artikelen 44 WAO en 11a TW. De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen die het afzien van terugvordering kunnen rechtvaardigen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd hij de werkzaamheden die hij bij [restaurant X.] heeft verricht steeds heeft doorgegeven aan de gemeente. Hij verkeerde in de veronderstelling dat de gemeente dit wel door zou geven aan het Uwv. Het Uwv stelt zich formalistisch op door afzonderlijke opgave te eisen. Er bestond ook geen aanleiding om de werkzaamheden door te geven aan het Uwv want de gemeente heeft de aanvullende uitkering van appellant gekort met het salaris dat appellant verdiende. De stelling van het Uwv dat appellant meer gewerkt zou hebben dan opgegeven aan de gemeente wordt door appellant betwist. De verklaringen in het frauderapport zijn onjuist. Appellant heeft contact opgenomen met de personen die een verklaring hebben afgelegd en zij hebben allen aangegeven dat de opgenomen verklaringen niet juist zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van hetgeen hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om over de vraag of het Uwv op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de artikelen 44 van de WAO en 11a van de TW, anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven dat op grond van de beschikbare gegevens aannemelijk is geworden dat appellant over de periode van 1 oktober 2008 tot en met 31 januari 2013 werkzaamheden heeft verricht en hieruit loon heeft ontvangen, zoals weergegeven in het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende berekeningen van het Uwv. De rechtbank heeft met juistheid verwezen naar de door appellant op 21 juni 2012 bij gelegenheid van een horecacontrole afgelegde verklaring en de verklaringen van de getuigen M. en H. Ghadimi, afgelegd op respectievelijk 5 november 2012 en 23 november 2012. In deze getuigenverklaringen zijn gedetailleerde uitspraken gedaan over de omvang, de aard en de duur van de door appellant uitgevoerde werkzaamheden. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan afgeweken zou moeten worden van het uitgangspunt dat in beginsel van de juistheid van de eerste, tijdens een opsporingsonderzoek afgelegde verklaring wordt uitgegaan, is niet gebleken.

4.2.

Appellant was verplicht aan het Uwv onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk was, dat zij van invloed konden zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn inkomsten van invloed konden zijn op de hoogte van zijn uitkering. Appellant was dan ook verplicht daarvan melding te doen aan het Uwv. Het argument van appellant dat hij mocht volstaan met opgave aan de gemeente gaat niet op nu appellant een zelfstandige wettelijke verplichting heeft om zijn inkomsten aan het Uwv door te geven. Daar komt bij dat appellant voor het eerst aangaande de maand mei 2012 bij de gemeente melding heeft gedaan van inkomsten. Het Uwv heeft op consequente wijze toepassing gegeven aan zijn beleid met betrekking tot de toepassing met terugwerkende kracht van de artikelen 44 van de WAO en 11a van de TW. In hoger beroep zijn verder geen nieuwe gegevens aangevoerd tegen de door het Uwv gemaakte en naar behoren onderbouwde schatting van de door appellant verzwegen inkomsten. Zoals de rechtbank in haar uitspraak heeft uiteengezet, lag het op de weg van appellant om met ondubbelzinnige concrete en verifieerbare gegevens de berekening van het Uwv te weerleggen.

4.3.

Uit wat is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en G. van Zeben- de Vries en

H. van Leeuwen als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2016.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) W. de Braal

AP