Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:922

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
14/4183 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid. Geen recht op een IVA-uitkering omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsartsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4183 WIA

Datum uitspraak: 4 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

8 juli 2014, 13/7087 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door J. Beerends. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.R.P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als adviseur bij een adviesbureau voor verkeer en vervoer toen zij zich op 11 mei 2004 ziek meldde met psychische klachten. Na verschillende pogingen om te re-integreren in haar eigen functie is appellante in juni 2006 met ernstige vermoeidheidsklachten weer volledig uitgevallen.

1.2.

Het Uwv heeft op verzoek van appellante en haar werkgever de loondoorbetalingsverplichting verlengd tot 13 mei 2007 en appellante met ingang van die datum in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is aanvankelijk vastgesteld op 57%, maar na bezwaar van appellante op 80 tot 100%. Aan die laatste vaststelling lag ten grondslag dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op energetische gronden aanleiding zag voor een arbeidsduurbeperking tot vier uur per dag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kon voldoende functies voor appellante selecteren. Het mediaanloon van de drie hoogst verlonende functies, afgezet tegen het maatmaninkomen van appellante leverde een arbeidsongeschiktheid op in de klasse 80 tot 100%. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 17 december 2007 overwogen dat cognitieve gedragstherapie (CGT) voor CVS-patiënten niet heeft plaatsgevonden en de inschatting gemaakt dat op termijn een duidelijke verbetering is te verwachten.

1.3.

Met een brief van 24 januari 2013 heeft appellante melding gemaakt van verslechtering van haar gezondheid en belastbaarheid. Volgens appellante is haar volledige arbeidsongeschiktheid inmiddels duurzaam geworden en voldoet zij aan de criteria voor toekenning van een IVA-uitkering. In het kader van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek is appellante onderzocht door een verzekeringsarts. Volgens de verzekeringsarts voldoet appellante niet aan de criteria voor “geen benutbare mogelijkheden” van het Schattingsbesluit en is er geen medische objectivering voor de door appellante subjectief ervaren toename van haar beperkingen. Er is evenmin sprake van duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen, omdat appellante geen bij haar ziektebeeld adequate behandeling, zoals CGT, of eventueel graded exercise thereapy voor CVS-patiënten, heeft gevolgd. Verbetering van de functionele mogelijkheden is daarmee niet uitgesloten. Bij besluit van 14 juni 2013 heeft het Uwv vervolgens vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet is gewijzigd en dat appellante geen recht heeft op een IVA-uitkering, omdat haar volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 juni 2013 heeft het Uwv, na onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, bij besluit van 2 oktober 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Zij stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat ten onrechte niet meer beperkingen zijn vastgesteld en dat ten onrechte niet is aangenomen dat haar volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is. De verzekeringsartsen hebben geen op haar individuele situatie afgestemde herstelverwachting uitgesproken, maar zich louter gebaseerd op het “Verzekeringsgeneeskundig protocol Chronische-vermoeidheidssyndroom”. CGT is niet voor iedere CVS-patiënt een geschikte therapie en ook niet voor haar, zo stelt appellante.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, dient in hoger beroep de vraag te worden beantwoord of de medische beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld en of de arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellante op grond van artikel 47 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht heeft op een IVA- in plaats van een WGA-uitkering.

4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

4.3.

De rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze is verricht. Terecht is vastgesteld dat alle naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend artsen op een deugdelijke en kenbare wijze zijn betrokken bij de medische beoordeling. Anders dan appellante meent bestaat geen discrepantie tussen de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen beperkingen en zijn woorden dat hij niet twijfelt aan de claimklachten van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderzocht in welke mate voor de claimklachten van appellante een objectieve medische oorzaak kan worden gevonden en de vervolgens op deze wijze geobjectiveerde klachten vertaald in beperkingen. Er bestaat geen grond de juistheid van de aldus vastgestelde beperkingen in twijfel te trekken.

4.4.

Het standpunt van appellante dat de inschatting van de kans op herstel niet berust op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die in haar individuele geval aan de orde zijn, kan niet worden gevolgd. De verzekeringsartsen hebben bij de beoordeling van de vraag of de arbeidsongeschiktheid van appellante duurzaam is, aansluiting gezocht bij het verzekeringsgeneeskundig protocol “Chronisch vermoeidheidssyndroom”. In dit protocol wordt naast dat een uiteenzetting wordt gegeven waarom patiënten met CVS baat kunnen hebben bij CGT, ook gewezen op de omstandigheid dat CGT niet voor elke patiënt een optie is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 12 september 2014 en 7 november 2014 uiteengezet dat in het geval van appellante geen contra-indicaties voor CGT aanwezig zijn en dat bovendien een behandelend therapeut eerst onderzoek zal doen naar de toepasbaarheid en eventuele contra-indicaties voor de behandeling. In dat licht bezien komt de brief van drs. M.J.C. Hilckmann niet de betekenis toe die appellante daaraan gehecht wil zien. Appellante heeft voorts haar stelling dat zij niet geschikt is voor het volgen van CGT niet onderbouwd met een rapport van arts.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en H. van Leeuwen en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2016.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) J.R. van Ravenstein

NK