Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:917

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
14/3478 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:3518, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faillissement werkgeefster. Geen overname betaling van de overurentoeslag. Deugdelijke motivering in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0141
SZR-Updates.nl 2016-0233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3478 WW

Datum uitspraak: 26 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

9 mei 2014, 13/6922 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 10 januari 2012 in dienst getreden bij [naam B.V.] (werkgeefster) te [vestigingsplaats] in de functie van sales manager voor 37,5 uur per week. Op

9 juli 2012 hebben werkgeefster en appellant per 10 juli 2012 een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten. In deze arbeidsovereenkomst is in artikel 3 bepaald dat de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven (CAO Meubelindustrie) van toepassing zijn.

1.2.

Op 14 mei 2013 is werkgeefster in staat van faillissement verklaard, waarna de curator appellant ontslag heeft aangezegd. De opzegtermijn liep tot en met 28 juni 2013. Appellant heeft op 28 mei 2013 een aanvraag om overname van de betalingsverplichtingen van werkgeefster ingediend bij het Uwv.

1.3.

Bij besluit van 8 juli 2013 heeft het Uwv appellant een uitkering wegens betalingsonmacht op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Deze uitkering betrof loon, vakantiegeld, vakantiedagen, overwerk in de periode van

18 februari 2013 tot en met 10 mei 2013 en reiskosten. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, onder andere omdat hij van mening is dat hij recht heeft op betaling van overurentoeslag.

1.4.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 juli 2013 bij beslissing op bezwaar van 23 september 2013 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant recht heeft op een nabetaling van € 1.862,86 aan onkostenvergoeding. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen de weigering van overname van de overurentoeslag afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, dat alleen was gericht tegen de weigering van het Uwv om de overurentoeslag over te nemen, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van

18 februari 1992, RSV 1992/221, (ECLI:NL:CRVB:1992:AK9567) overwogen dat het in strijd is met de strekking van Hoofdstuk IV van de WW om van het Uwv betaling te verlangen van achterstallig loon als een werknemer bij de werkgever nooit heeft aangedrongen op betaling hiervan, toen de werkgever nog tot betaling in staat was. Appellant heeft bevestigd dat hij pas na het faillissement bekend is geworden met het feit dat werkgeefster op grond van de CAO Meubelindustrie toeslagen op de overuren diende te vergoeden. Hieruit volgt dat appellant tijdens het dienstverband nooit aanspraak heeft gemaakt op betaling van overurentoeslag. Gelet hierop is het naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de strekking van Hoofdstuk IV van de WW om van het Uwv betaling te verlangen van de overurentoeslag. Het Uwv heeft terecht geweigerd de door appellant gevorderde overurentoeslag over te nemen, aldus de rechtbank.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de bepaling in artikel 6 van zijn arbeidsovereenkomst, waarbij de betaling van overurentoeslag is uitgesloten, in strijd is met de destijds geldende CAO Meubelindustrie en om die reden buiten toepassing moet blijven. Appellant wist niet dat hij aanspraak kon maken op betaling van overurentoeslag, omdat hij ervan uitging dat de arbeidsovereenkomst leidend was. Appellant wist pas na inschakeling van een jurist op 27 mei 2013 dat hij recht had op overurentoeslag. Het kan hem dan ook niet verweten worden dat hij hierop niet eerder aanspraak heeft gemaakt.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft afstand genomen van het in beroep ingenomen standpunt dat het in strijd met de aard en strekking van de regeling van Hoofdstuk IV van de WW is om de overwerktoeslag over te nemen. Het Uwv stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat artikel 6 van de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is, ondanks dat dit artikel een bepaling bevat waarbij ten nadele wordt afgeweken van de destijds geldende CAO Meubelindustrie. Dit betekent dat werkgeefster niet gehouden was om overurentoeslag aan appellant te betalen, en er daarom geen sprake is van een verplichting die het Uwv (op grond van artikel 67 van de WW) dient over te nemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 9 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (Wet cao) is bepaald:

1. Allen, die tijdens den duur der collectieve arbeidsovereenkomst, te rekenen van het tijdstip waarop zij is aangegaan, lid zijn of worden eener vereeniging, welke de overeenkomst heeft aangegaan, en bij de overeenkomst zijn betrokken, zijn door die overeenkomst gebonden.

2. Zij zijn tegenover elk der partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst gehouden al datgene, wat te hunnen aanzien bij die overeenkomst is bepaald, te goeder trouw ten uitvoer te brengen, als hadden zij zelve zich daartoe verbonden.

In artikel 12 van de Wet cao is bepaald:

1. Elk beding tusschen een werkgever en een werknemer, strijdig met eene collectieve arbeidsovereenkomst door welke zij beiden gebonden zijn, is nietig; in plaats van zoodanig beding gelden de bepalingen der collectieve arbeidsovereenkomst.

2. De nietigheid kan steeds worden ingeroepen door elk der partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst.

In artikel 2 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Wet avv) is in het eerste en derde lid bepaald:


1. Onze Minister kan bepalingen van eene collectieve arbeidsovereenkomst, die in het geheele land of in een gedeelte des lands voor eene - naar zijn oordeel belangrijke - meerderheid van de in een bedrijf werkzame personen gelden, in het geheele land of in dat gedeelte des lands algemeen verbindend verklaren. Deze bepalingen zijn dan, behalve in de gevallen door Onzen Minister uitgezonderd, binnen dat gebied verbindend voor alle werkgevers en werknemers ten aanzien van arbeidsovereenkomsten, die naar den aard van den arbeid, waarop zij betrekking hebben, onder de collectieve arbeidsovereenkomst vallen of zouden vallen, hetzij deze arbeidsovereenkomsten op het tijdstip, waarop de werking der verbindendverklaring aanvangt, reeds gesloten zijn, hetzij zij daarna gesloten worden.

2. (…)

3. Verbindendverklaring heeft geen terugwerkende kracht.

In artikel 3 van de Wet avv is in het eerste lid bepaald:


1. Elk beding tusschen den werkgever en den werknemer, strijdig met verbindend verklaarde bepalingen, is nietig; in plaats van zoodanig beding gelden de verbindend verklaarde bepalingen.

4.2.1.

In de arbeidsovereenkomst van appellant is in artikel 3 de CAO Meubelindustrie van toepassing verklaard. In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat overuren naar keuze van de werknemer kunnen worden uitbetaald, dan wel kunnen worden verrekend middels tijd voor tijd. Ook is daarin bepaald dat werkgever de in de CAO Meubelindustrie genoemde toeslagen voor overwerk niet zal uitbetalen. Ter beoordeling ligt voor of werkgeefster met deze laatste bepaling rechtsgeldig is afgeweken van de CAO Meubelindustrie, of dat deze bepaling vernietigbaar of nietig is. Daarvoor dient beoordeeld te worden of werkgeefster en appellant rechtstreeks gebonden zijn aan de CAO Meubelindustrie of dat zij daaraan gebonden zijn doordat deze algemeen verbindend is verklaard.

4.2.2.

Indien werkgeefster op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet cao rechtstreeks aan de CAO is gebonden, is de van de CAO afwijkende bepaling van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst vernietigbaar op grond van artikel 12, tweede lid, van de Wet cao. Werkgeefster was ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst met appellant geen lid van de werkgeversvereniging die partij is geweest bij het sluiten van de CAO Meubelindustrie, de Centrale Bond voor Meubelfabrikanten (Centrale Bond). Dit blijkt uit de door het Uwv opgestelde telefoonnotitie van 19 februari 2015 van een gesprek met een medewerkster van de Centrale Bond, waarin deze medewerkster heeft verklaard dat werkgeefster in elk geval vanaf 2010 geen lid is geweest van de Centrale Bond. Appellant heeft niet aangetoond dat deze informatie niet juist is. Verder heeft appellant ter zitting verklaard nooit lid te zijn geweest van een vakbond. Nu er sprake is van een ongebonden werkgeefster en een ongebonden werknemer, is artikel 12 van de Wet cao niet van toepassing.

4.3.1.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of de CAO Meubelindustrie algemeen verbindend verklaard is geweest tijdens de arbeidsovereenkomst van appellant van

10 juli 2012 tot en met 28 juni 2013. Als dit het geval is, is de afwijkende bepaling in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst nietig op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet avv.

4.3.2.

De CAO Meubelindustrie 2011/2012 is bij besluit van 15 augustus 2011 (Staatscourant 2011, nr. 12263) algemeen verbindend verklaard. Deze algemeenverbindendverklaring (avv) is op 23 augustus 2011 in werking getreden en is geëindigd op 1 juli 2012. Daarna is de CAO Meubelindustrie 2013/2014 bij besluit van 1 oktober 2013 (Staatscourant 2013, nr. 24613), algemeen verbindend verklaard voor de periode van 8 oktober 2013 tot 1 januari 2015. Daarbij is geen terugwerkende kracht toegekend, zoals blijkt uit de besluiten tot algemeen verbindendverklaring zelf, overeenkomstig artikel 2, derde lid, van de Wet avv. Dit betekent dat gedurende de arbeidsovereenkomst van 10 juli 2012 tot en met 28 juni 2013 de CAO Meubelindustrie niet algemeen verbindend was verklaard, zodat werkgeefster, die niet rechtstreeks aan de CAO Meubelindustrie gebonden was, vrij was om bij arbeidsovereenkomst daarvan af te wijken. De bepaling in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst, dat werkgeefster de toeslagen voor overwerk, zoals genoemd in de CAO Meubelindustrie, niet uitbetaalt, is dus rechtsgeldig.

4.4.

Uit 4.2.1 tot en met 4.3.2 volgt dat de bepaling in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst, waarbij betaling van de overurentoeslag is uitgesloten, in de periode in geding, rechtsgeldig is. Dit betekent dat appellant geen aanspraak had op betaling van overurentoeslag door werkgeefster. Gelet hierop heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een verplichting die het Uwv dient over te nemen. Het Uwv heeft terecht geweigerd de overurentoeslag over te nemen.

4.5.

Uit het feit dat het Uwv in hoger beroep afstand heeft genomen van het in beroep ingenomen standpunt dat het in strijd is met de strekking van de regeling van Hoofdstuk IV van de WW om betaling van de overurentoeslag over te nemen, volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met

artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv heeft het bestreden besluit eerst in hoger beroep van een deugdelijke motivering voorzien. Het motiveringsgebrek zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat appellant - nu het Uwv terecht, zij het op een andere grond, heeft geweigerd de overwerktoeslag over te nemen - materieel niet is benadeeld. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden.

5. Nu het Uwv het bestreden besluit eerst in hoger beroep heeft voorzien van een deugdelijke motivering bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op de reiskosten van appellant in beroep van € 10,38 en in hoger beroep van € 19,88, in totaal € 30,26.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 30,26;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht in beroep en in hoger

beroep van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2016.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) L.L. van den IJssel

AP