Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:915

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
14/2689 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ZW-uitkering. Appellant wordt in staat geacht de in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ingevolge de Wet WIA geduide functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2689 ZW

Datum uitspraak: 9 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

8 april 2014, 14/458 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G.M. Frerix, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016. Daarbij is de zaak gevoegd behandeld met de zaak van appellant geregistreerd onder nummer 14/2694 WIA. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Frerix. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.J. Reith. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor relevante feiten wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad, gedaan in de zaak van appellant geregistreerd onder nummer 14/2694 WIA. Er wordt volstaan met het navolgende.

1.2.

Per 11 juni 2013 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziek gemeld met psychische klachten. Hij heeft op

24 september 2013 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft in zijn rapport van gelijke datum geconcludeerd dat appellants belastbaarheid niet wezenlijk anders was dan ten tijde van het laatstelijk, in het kader van de WIA-beoordeling, verrichte onderzoek en dat de in dat kader geduide functies daarom nog passend zijn. Bij besluit van

25 september 2013 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 25 september 2013 beëindigd.

1.3.

Bij besluit van 10 december 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 september 2013 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen. Uit de beschikbare medische gegevens kan niet worden afgeleid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant per 25 september 2013. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de verzekeringsartsen overtuigend hebben gemotiveerd dat appellants beperkingen niet zijn toegenomen ten opzichte van 5 maart 2013, de datum waarop het Uwv heeft geweigerd appellant een WGA-uitkering toe te kennen (zaak 14/2694). Nu appellant zijn standpunt dat hij op de datum in geding verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, niet met medische gegevens heeft onderbouwd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan de conclusies van de verzekeringsartsen te twijfelen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij op de datum in geding in staat moet worden geacht de eerder geduide functies te kunnen vervullen, zodat hij geen recht heeft op ziekengeld. Zijn gezondheidssituatie is na de WIA-beoordeling dusdanig verslechterd dat ten tijde van de beoordeling door de verzekeringsarts al sprake was van een aanstaande opname in een kliniek.

3.2.

Het Uwv heeft aangevoerd, nu geen (nieuwe) medische gegevens zijn overgelegd, dat geen aanleiding wordt gezien het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Voorts heeft het Uwv opgemerkt dat het niet gaat om de feitelijke situatie ten tijde van de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, maar om de beoordeling per datum in geding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van zijn aanspraak op een WIA-uitkering. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

Het besluit waarbij aan appellant per 5 maart 2013 geen WIA-uitkering is toegekend staat, gelet op de uitspraak van de Raad in de zaak 14/2694, vast. Dat betekent dat van de destijds geselecteerde functies dient te worden uitgegaan bij het antwoord op de vraag of appellant geschikt is voor zijn arbeid.

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een eigen onderzoek en dossierstudie verricht. Hij heeft acht geslagen op de klachten van appellant en ook de aanwezige informatie van derden bij zijn beoordeling betrokken. Gelet op het inzichtelijk gemotiveerde standpunt wat betreft de belastbaarheid van appellant per

25 september 2013 wordt geen aanleiding gezien aan te nemen dat de klachten van appellant zijn onderschat of dat de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep anderszins onjuist is. Dat appellant in december 2013 wegens zijn klachten is opgenomen biedt geen aanknopingspunten te oordelen dat de beoordeling per 25 september 2013 niet juist is geweest.

4.4.

Nu in hoger beroep geen medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep per de datum in geding van een onjuiste medische belastbaarheid is uitgegaan wordt geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.6.

Nu het hoger beroep niet slaagt, is er geen ruimte voor een veroordeling tot schadevergoeding. Dat verzoek zal dan ook worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.W.L. van der Loo

NK