Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:913

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
14/4974 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wajong 2010. Begeleidingsbehoefte. De voorziening van de jobcoach kan worden aangevraagd ten behoeve van de re-integratie in passend werk, maar deze voorziening kan in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen rol spelen.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 2:3
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 2:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/138 met annotatie van M. Koolhoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4974 WWAJ

Datum uitspraak: 19 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 maart 2014, 13/3877-T (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 augustus 2014, 13/3877 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. van den Berg, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brief van 25 september 2015, op verzoek van de Raad, het standpunt in hoger beroep nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2015. Appellant was vertegenwoordigd door mr. E.J.S. van Daatselaar en mr. J. Visch. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. H.E. Jacobs, kantoorgenote van mr. Van den Berg en P. de Haan, maatschappelijk werkster.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene, geboren [in] 1991, heeft op 3 februari 2011 een aanvraag ingediend voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010).

1.2.

Bij besluit van 31 januari 2013 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat hij geen recht heeft op arbeids- en/of inkomensondersteuning op grond van de Wajong 2010 omdat hij meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen. Bij beslissing op bezwaar van 20 juni 2013 (bestreden besluit) is het door betrokkene gemaakte bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.3.

Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hierbij heeft hij aangevoerd dat de psychische stoornissen waaraan hij lijdt, onvoldoende in kaart zijn gebracht door de verzekeringsartsen, waardoor zijn beperkingen zijn onderschat.

1.4.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en de medische beoordeling volledig en inzichtelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep waaruit volgt dat betrokkene is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding wordt uitgevoerd en dat hij meer instructie nodig heeft dan anderen en dat om die reden de inzet van een jobcoach wordt geadviseerd die ook de collega’s en leidinggevenden kan begeleiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee bedoeld dat (langdurige) begeleiding bij het dagelijks functioneren aan de orde is. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de door de verzekeringsarts vastgestelde begeleidingsbehoefte van betrokkene, van belang is dat werkgevers, in het kader van de theoretische schatting, bereid zijn om een jobcoach op de werkvloer toe te laten om betrokkene te begeleiden en de collega’s en leidinggevenden te adviseren. Nu niet onderzocht is door appellant of de werkgevers in de voorgehouden functies hiertoe bereid zijn, berust het bestreden besluit op een ontoereikende arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft appellant vervolgens in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.

1.5.

Appellant heeft bij rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

24 april 2014 en nadere toelichting bij brief van 6 mei 2014, uiteengezet dat, nu de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde begeleidingsbehoefte een gebruikelijke invulling van de jobcoachbegeleiding is, er ook met inzet van een jobcoach sprake blijft van gangbare arbeid. De jobcoachindicatie vormt dan ook geen belemmering voor de toegankelijkheid van de voorgehouden functies. Voorts mag van een werkgever in redelijkheid verwacht worden dat hij een jobcoach op de werkplek toelaat nu hij in principe hiertoe verplicht is op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.

1.6.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de gedane tussenuitspraak, geen ruimte bestaat om opnieuw het standpunt van appellant te beoordelen dat de jobcoachindicatie voor betrokkene niet de gebruikelijke begeleidingsbehoefte overstijgt, aangezien de rechtbank bij de tussenuitspraak heeft vastgesteld dat dit wel het geval is, gelet op de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Nu appellant geen onderzoek heeft verricht naar de toegankelijkheid en daarmee de geschiktheid voor betrokkene van de voorgehouden functies, gelet op de vastgestelde persoonlijke begeleidingsbehoefte, is de rechtbank van oordeel dat het arbeidskundig onderzoek in bezwaar ontoereikend is voor de theoretische vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene. Er kan niet van worden uitgegaan dat de jobcoachindicatie geen belemmering vormt voor de toegankelijkheid en daarmee de geschiktheid voor betrokkene van de geduide functies. Het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is dan ook niet hersteld. Daarom heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van haar uitspraak, met bepalingen betreffende griffierechtvergoeding en proceskostenveroordeling.

2.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij brief van 25 september 2015 heeft appellant, op verzoek van de Raad, het standpunt in hoger beroep nader toegelicht (onder meer) aan de hand van de uitspraak van de Raad van 26 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2089. Bij deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat bij de selectie van functies rekening moet worden gehouden met de voorwaarde van inschakeling van een jobcoach, aangezien in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is opgenomen als (overige) specifieke voorwaarde voor het persoonlijk en sociaal functioneren in arbeid: “cliënt heeft nood aan een jobcoach om zijn werkzaamheden naar behoren te kunnen verrichten (…)”. Appellant heeft, ondanks de daartoe gegeven opdracht van de Raad bij tussenuitspraak van 9 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:8), niet nader onderzocht of en nader onderbouwd dat bij inschakeling van een jobcoach bij de concrete uitoefening van de geselecteerde functies ook een mate van begeleiding, stimulering, motivering, instructie en sturing mogelijk is die in voldoende mate tegemoetkomt aan de specifieke beperkingen van betrokkene noch nader onderzocht of en nader onderbouwd dat de in de geselecteerde functies aangeduide functionarissen als de meewerkend voorman op de werkvloer in voldoende mate zijn toegerust en door de werkgever gefaciliteerd zijn, of kunnen worden om op een regelmatige en zorgvuldige wijze te kunnen voldoen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgelegde specifieke beperkingen van betrokkene. Appellant heeft, naar aanleiding van de uitspraak van

26 juni 2015, de volgende uiteenzetting gegeven over het instrument van de jobcoach:

“Uw Raad concludeert in 2015:2089 dat wij niet hebben voldaan aan de bewijsopdracht, gegeven in ECLI:NL:CRVB:2015:8. Dat onderschrijven wij. Wij hebben geprobeerd ons standpunt nader toe te lichten, met het risico dat uw Raad dit als onvoldoende zou bestempelen, al was het maar omdat uw Raad zich gebonden zou achten aan uw tussenuitspraak.

Waar het om gaat is de wijze waarop wij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in dergelijke omstandigheden bezien. Kort samengevat: als een nader onderzoek en motivering zoals in 2015:2089 door uw Raad aangewezen is, dan menen wij dat het duiden van theoretische functies feitelijk niet mogelijk is, omdat er dan hoge(re) eisen aan de begeleiding worden gesteld. Betrokkene is dan aangewezen op beschutte omstandigheden, of heeft geen arbeidsmogelijkheden in regulier werk.

Als echter de begeleidingsbehoefte zodanig is dat de enkele aanwezigheid van een leidinggevende en/of collega’s waarop kan worden teruggevallen c.q. om hulp kan worden gevraagd voldoende is, hoeven geen kwalitatieve eisen aan de leidinggevende en/of collega’s te worden gesteld. Een nader onderzoek en motivering als bedoeld in 2015:2089 is dan niet aan de orde. De opsomming van aanduidingen bij de geduide functies over aanwezigheid van leidinggevenden in 2015:8 bij rechtsoverweging 1.7.3. moeten ook in dat licht worden bezien. Het gaat om de beschikbaarheid van een vangnet, zonder dat daar nadere eisen aan hoeven te worden gesteld. Weliswaar vragen deze betrokkenen meer aandacht dan andere collega’s, maar dat is een kwantitatief aspect. Het gaat daarbij om “gewoon” leidinggeven en “gewoon” helpen door collega’s. Dat wil zeggen dat dit een niveau van begeleiding betreft dat van leidinggevenden en collega’s in redelijkheid verwacht mag worden. Zodra er een noodzaak is om nadere kwalitatieve eisen aan de leidinggevende en/of collega’s te stellen, is er veeleer sprake van werk onder beschutte omstandigheden.

Het gaat bij begeleidingsbehoefte om een in de persoon gelegen factor die los staat van de geduide functie. De begeleidingsbehoefte is er altijd, welke functie ook wordt geselecteerd. Het is daarbij niet reëel om functies te duiden als er sprake is van specifieke (permanent aanwezige) beperkingen die om specifieke begeleiding vragen.

Zo bezien is er in dergelijke kwesties dus eerder een noodzaak om de verzekeringsarts te laten motiveren waaruit de begeleidingsbehoefte bestaat. Als door de verzekeringsarts onderbouwd kan worden dat de begeleidingsbehoefte van betrokkenen niet zodanig groot is dat er bijzondere eisen aan leidinggevende en/of collega’s worden gesteld (omdat betrokkene geschikt is voor arbeid op de reguliere arbeidsmarkt) is sprake van geschiktheid voor de geduide functies. In de praktijk zien wij in voorkomende gevallen dat arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, functieduiding en re-integratieaspecten soms door elkaar lopen en ten onrechte worden ingevuld op de FML. De werkwijze had dan eigenlijk behoren te zijn dat de verzekeringsarts de begeleidingsbehoefte beschrijft en dat de arbeidsdeskundige beoordeelt of die betreffende begeleidingsbehoefte kan worden opgelost met de inzet van een jobcoach (indien geschikt). Er moet echter een duidelijk onderscheid gemaakt worden of de begeleidingsbehoefte de arbeidsongeschiktheid en functieduiding raakt, of dat sprake is van een re-integratieaspect of voorziening.

Een jobcoach is een voorziening gericht op participatie en re-integratie. Het gaat om voorzieningen waarbij in redelijkheid van de werkgever verwacht mag worden dat hij de realisatie daarvan toelaat. Dat betekent dat niet hoeft te worden onderzocht of de werkgever een jobcoach toelaat op de werkplek. Wij menen dat dit voortvloeit uit artikel 9 onder c Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. (…)

De inzet van een jobcoach moet worden afgezet tegen de individuele begeleidingsbehoefte van betrokkene. De inpassing in een concrete functie ziet op begeleiding naar werk, niet op de uitvoering van de werkzaamheden in een theoretische functie.

Ook naar zijn aard is de inzet van een jobcoach een re-integratiemiddel. De inzet betreft geen voortdurende aanwezigheid (uitzondering kan aan de orde zijn als de werkgever een voorziening vraagt waarbij een collega tot jobcoach wordt opgeleid). De omvang van de begeleiding qua uren per week is beperkt en neemt in de loop van de tijd af. De inzet van een jobcoach wordt toegekend voor 6 maanden met mogelijkheid van verlenging, in de praktijk geldt als uitgangspunt een maximum van 3 jaar, waarvan zo nodig kan worden afgeweken. Het is de bedoeling dat de werknemer uiteindelijk zijn werk zelfstandig kan uitvoeren.

Inzet van een jobcoach is daarom niet bedoeld om te voorzien in een permanente begeleidingsbehoefte. Wel is het zo dat het kan voorkomen dat gewijzigde omstandigheden opnieuw inzet van een jobcoach wenselijk maken. Dat is in dergelijke situatie ook mogelijk. (…)”

2.2.

In het licht van de uiteenzetting onder 2.1 heeft appellant in dit hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist heeft geïnterpreteerd indien en voor zover zij heeft overwogen dat de jobcoach-indicatie voor betrokkene de gebruikelijke begeleidingsbehoefte overstijgt, en dat daarom met een langdurige begeleidingsbehoefte in de vorm van een jobcoach rekening dient te worden gehouden in het kader van de theoretische schatting. In dit geval zijn op de FML onder punten 1.8. (persoonlijk functioneren), 1.9.3. (persoonlijk functioneren in arbeid) en 2.12.3. (sociaal functioneren in arbeid) beperkingen aangenomen. Onder 1.8. is als toelichting opgenomen dat betrokkene in het dagelijks leven enige begeleiding nodig heeft voor regelzaken. Onder 1.9.3. is opgenomen dat betrokkene is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldig feedback) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd, met als toelichting dat sprake is van begeleiding op niveau 3 (derde bullet): meer begeleiding nodig bij verandering dan anderen. Onder 2.12.3. is opgenomen dat betrokkene is aangewezen op werk waarin zo nodig kan worden teruggevallen op directe collega’s of leidinggevenden (géén solitaire functie) en is als toelichting vermeld: eventueel een jobcoach. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport bedoeld aan te geven dat er geen sprake is van een bijzondere begeleidingsbehoefte in kwalitatieve zin. Er is een langdurige begeleidingsbehoefte zoals aangegeven op de FML bij 1.9.3. Daar kan in voorzien worden door de enkele aanwezigheid van een leidinggevende en/of collega’s. De bij 2.12.3. aangegeven toelichting van eventuele inzet van de jobcoach is echter een re-integratieaspect dat hier feitelijk in het kader van de selectie van de functies geen toegevoegde waarde heeft, omdat het een tijdelijke voorziening betreft, gericht op participatie/re-integratie en niet op het uitvoeren van de werkzaamheden op zich.

2.3.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat, uitgaande van de onder 2.2 weergegeven begeleidingsbehoefte, de voorgehouden functies voor betrokkene op dit punt geschikt te achten zijn, aangezien het functies betreft waarbij teruggevallen kan worden op de leidinggevende en/of collega’s. Een nadere motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wat betreft de punten 1.9.3. en 2.12.3. is dan ook niet nodig. Het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven advies van inzet van een jobcoach moet worden bezien in het kader van de re-integratie. Van werkgevers kan in het algemeen worden verwacht dat zij een jobcoach toelaten op de werkvloer. De vraag of een werkgever bereid is een jobcoach op de werkvloer toe te laten behoort, anders dan de rechtbank veronderstelt, geen voorwaarde te zijn bij de functieduiding, zodat er op die grond geen aanleiding is voor nader onderzoek naar de bereidheid van werkgevers.

3.1.

De Raad komt tot de volgende overwegingen.

3.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapporten van 7 juni 2013 en

9 september 2014 te kennen gegeven dat betrokkene meer instructie nodig heeft dan anderen en dat hij daarom een beperking heeft aangenomen op 1.9.3. De opmerking van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat betrokkene daarnaast in aanmerking komt voor begeleiding door een jobcoach om betrokkene en zijn werkomgeving beter op elkaar te doen aansluiten in de aanvang van de werkzaamheden, heeft, bezien in het licht van de uiteenzetting van appellant onder 2.1 betrekking op de eventuele, daadwerkelijke

re-integratie van betrokkene in passend werk en speelt bij de arbeidsongeschiktheids-beoordeling geen rol. Appellant heeft afdoende aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokkene (alleen) aangewezen heeft geacht op meer begeleiding bij veranderingen dan anderen op niveau 3 van item 1.9.3. van de FML, waarbij het volgens de Basisinformatie CBBS gaat om de volgende mate van begeleiding:

“De functionaris is in staat (eenvoudige) handelingen zelf uit te voeren. Zolang het werk volgens het vaste patroon wordt verricht, zijn er geen problemen. De persoon moet bij veranderingen of problemen om hulp kunnen vragen of hulp aangeboden krijgen. Bij verandering van werkzaamheden bijvoorbeeld heeft hij meer instructie nodig dan een collega. Bij deze niveau’s kan het gaan om personen die bij het inwerken mogelijk de hulp van een jobcoach nodig hebben. Dit is op zich niet bepalend voor het scoren van dit beoordelingspunt.”

Hoewel in de FML bij 2.12.3 een toelichting is opgenomen luidende: “eventueel een jobcoach” heeft appellant in hoger beroep overtuigend uiteengezet dat deze toelichting moet worden bezien in het kader van de re-integratie en niet in het kader van de theoretische schatting.

3.3.1.

.1. Het standpunt van appellant, zoals weergegeven onder 2.1 tot en met 2.3, komt erop neer dat het de taak van de verzekeringsarts is om een gemotiveerd beeld te geven van de begeleidingsbehoefte die het gevolg is van de medische toestand van de betrokkene. De arbeidsdeskundige dient vervolgens bij het selecteren van functies rekening te houden met de aldus vastgestelde begeleidingsbehoefte. De arbeidsdeskundige zal moeten beoordelen of en motiveren dat in de functies in de vastgestelde begeleidingsbehoefte kan worden voorzien. Het instrument van de jobcoach speelt hierbij geen rol. De jobcoach is een voorziening in het kader van de re-integratie en is in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet van belang, noch voor het medische, noch voor het arbeidskundige aspect.

3.3.2.

Appellant kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de voorziening van de jobcoach kan worden aangevraagd ten behoeve van de re-integratie in passend werk, maar dat deze voorziening in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen rol kan spelen. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Betrokkene heeft meer begeleiding nodig dan anderen, met name bij veranderingen en problemen op de werkvloer. Hiertoe is de aanwezigheid van een collega of leidinggevende vereist, opdat deze hulp kan bieden indien dat nodig is. Het gaat hierbij om een lichte vorm van begeleiding, die van collega’s onder elkaar kan worden verwacht. De arbeidsdeskundige heeft de functies inpakker (SBC-code 111190), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) ten grondslag gelegd aan de theoretische schatting. De inpakker verzorgt aan de lopende band of aan een werktafel seriematig schotels/schaaltjes/borden met maaltijdproducten ten behoeve van vliegtuigproviandering, onder leiding van de meewerkend voorman. De productiemedewerker industrie assembleert verlichtingsarmaturen samen met een collega, onder leiding van de chef. De medewerker tuinbouw verricht samen met diverse collega’s in wisselende taken werkzaamheden in een kas, onder leiding van de directeur. In deze functies is sprake van collega’s en/of leidinggevenden op de werkvloer. Hiermee is, mede in aanmerking genomen dat het gaat om eenvoudige, productiematige functies, afdoende rekening gehouden met de begeleidingsbehoefte van betrokkene, zoals aangegeven onder 1.9.3. in de FML.

3.4.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte geconcludeerd dat het arbeidskundig onderzoek in bezwaar ontoereikend is voor de theoretische vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene. Gelet op overwegingen 3.2 en 3.3 slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraken zullen worden vernietigd. Het door betrokkene ingestelde beroep, zoals weergegeven onder 1.3, dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3.5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen tussenuitspraak;

- vernietigt de aangevallen einduitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en E. Dijt en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2016.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) W. de Braal

TM