Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:912

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
13/3293 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet Wajong. Medische en (de eerst in hoger beroep gegeven) arbeidskundige grondslag worden onderschreven. Schending redelijke termijn door de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3293 WWAJ

Datum uitspraak: 11 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

16 mei 2013, 11/2350 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Achterveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Achterveld. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend omdat het niet volledig is geweest. Aan het Uwv is verzocht verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek te laten verrichten. Het Uwv heeft een nader verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

16 februari 2015 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 februari 2015. Namens appellant heeft mr. Achterveld hierop gereageerd en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Achterveld. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren [in] 1981 en heeft op 11 februari 2011 een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten 2010 (Wet Wajong) ingediend.

1.2.

Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 13 april 2011 appellant een Wajong-uitkering geweigerd omdat is vastgesteld dat er in de jaren voor 2007, de periode die voor de Wajong van belang is, geen sprake is geweest van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek.

1.3.

In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 8 juni 2011 geconcludeerd dat appellant rond zijn zeventiende en achttiende verjaardag wel beperkingen had op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren en hiervoor een aantal beperkingen opgenomen zijn in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 juni 2011. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 24 augustus 2011 vastgesteld dat appellant in de periode tussen zijn zeventiende verjaardag en de datum van het onderzoek gedurende een substantiële periode in staat is geweest om tenminste 75% van het maatmaninkomen (minimumloon) te verdienen. Bij besluit van 26 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 april 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 augustus 2011 en

1 november 2012 waaruit blijkt dat appellant in de periode 1 december 2008 tot 1 september 2010 werkzaam is geweest als cameratoezichthouder voor 32 uur per week, dat hij in dit werk naar behoren heeft gefunctioneerd en dat hij hiervoor op basis van de diverse CAO’s marktconform is beloond. Het Uwv heeft terecht geoordeeld dat appellant sinds zijn zeventiende levensjaar in staat is gebleken meer dan 75% van het minimumloon te verdienen en vastgesteld dat appellant om deze reden niet voldoet aan de in artikel 2:15 van de Wet Wajong neergelegde voorwaarde voor toekenning van het recht op arbeidsondersteuning.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn medische situatie niet correct is ingeschat, dat hij is aangewezen op een adequate en structurele vorm van begeleiding en dat hiervoor in de FML een beperking onder 1.9.3 op genomen had moeten worden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant gewezen op het psychologisch onderzoek van GGZ psycholoog Y.H. Burghardt van AS & E psychologen en informatie van psychiater

H. Zijlstra, waaruit blijkt dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor hem. Onder verwijzing naar de tussenuitspraak van de Raad van 27 februari 2015

(ECLI:NL:CRVB:2015:680) stelt appellant zich op het standpunt dat het Uwv de vraag of appellant aangemerkt moet worden als jonggehandicapte als bedoeld in artikel 2:3 van de Wajong had moeten beantwoorden en niet in het midden had mogen laten. Voorts heeft appellant verzocht om schadevergoeding in verband met de schending van de redelijke termijn.

3.2.

Het Uwv heeft in het nadere verweerschrift laten weten de motivering van het standpunt zoals neergelegd in het bestreden besluit niet langer te handhaven. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 februari 2015 blijkt dat het werk als beveiliger niet passend was voor appellant zodat de weigering van de uitkering hier niet op gebaseerd kan worden. Nu uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 februari 2015 blijkt dat er voldoende functies zijn te duiden waarmee appellant tenminste 75% van het wettelijk minimumloon kan verdienen op en na 3 juni 2011, wordt het standpunt dat appellant niet voor een Wajong-uitkering in aanmerking kan worden gebracht gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in deze situatie in het midden kan worden gelaten de vraag of appellant als jonggehandicapte in de zin van artikel 2:3 van de Wet Wajong dient te worden aangemerkt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, heeft appellant gesproken tijdens de hoorzitting op 7 juni 2011 en is in zijn rapport van 8 juni 2011 ingegaan op de in bezwaar ingediende informatie van psychiater H. Zijlstra van 12 mei 2010 en 18 mei 2011 en van psycholoog W. van der Span-Hilgenga van 10 december 2004 en 27 mei 2005. In afwijking van het rapport van de verzekeringsarts van 11 april 2011, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat vanaf de zeventienjarige en achttienjarige leeftijd bij appellant wel beperkingen bestaan ten aanzien van het verrichten van arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht appellant gezien zijn klachten beperkt in het persoonlijk functioneren ten aanzien van het doelmatig handelen (1.5) en acht appellant aangewezen op vaste, bekende werkwijzen (1.2), een voorspelbare werksituatie (1.9.5) en werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken (1.9.7). Voorts acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant beperkt in het sociaal functioneren ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen (2.6), het omgaan met conflicten (2.8), samenwerken (2.9) en acht appellant aangewezen op werk zonder leidinggevende aspecten (2.12.5) waarin weinig of geen rechtstreeks contact met klanten (2.12.1) en patiënten of hulpbehoevenden (2.12.2) vereist is.

4.2.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert niet juist is, heeft appellant geen medische informatie ingebracht die doet twijfelen aan de juistheid van dat verzekeringsgeneeskundig oordeel. Uit de brief van psychiater Zijlstra van 17 april 2015 en het psychologisch onderzoek van AS & E psychologen van 9 december 2008 is niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van appellants psychische beperkingen voor het verrichten van arbeid. De in de FML opgenomen beperkingen komen in grote lijnen overeen met de voorwaarden waaraan geschikt werk voor appellant volgens psychiater Zijlstra en AS & E psychologen zou moeten voldoen. Het standpunt van psychiater Zijlstra, dat appellant niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten, ontbeert een objectief medische onderbouwing. In zijn rapporten van 20 februari 2012, 16 februari 2015 en 9 juli 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er geen reden is om appellant aangewezen te achten op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldig feedback) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd (1.9.3). Er bestaat dan ook geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen, zoals appellant ter zitting heeft verzocht.

4.3.

Uitgaande van de FML van 8 juni 2011 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 20 februari 2015 de in de omschrijving van de geselecteerde functies van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie, inpakker (handmatig), productiemedewerker industrie (samensteller) voorkomende signaleringen toegelicht en gemotiveerd dat met deze functies de belastbaarheid van appellant niet wordt overschreden. Met deze functies kon appellant op en na 13 juni 2011 (16 weken na de datum van de aanvraag) tenminste 75% van zijn maatmaninkomen verdienen. Gelet hierop heeft het Uwv in het midden kunnen laten of appellant op de zeventienjarige en achttienjarige leeftijd of na het beëindigen van zijn studies of vijf jaar nadien als jonggehandicapte als bedoeld in artikel 2:3 van de Wet Wajong moet worden aangemerkt. Het beroep van appellant in dit verband op de tussenuitspraak van de Raad van 27 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:680) gaat niet op, reeds omdat in die zaak, anders dan bij appellant het geval is, is afgezien van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Van een vergelijkbare situatie is geen sprake.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.5.1.

Met betrekking tot het door appellant in hoger beroep gedane verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt het volgende overwogen.

4.5.2.

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van verzoeker gedurende de gehele procesgang.

4.5.3.

De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren.

4.5.4.

Volgens de rechtspraak van de Raad is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

4.5.5.

Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 18 mei 2011 tot de datum van deze uitspraak zijn bijna vier jaar en tien maanden verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf en de opstelling van partijen geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim drie maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 4 oktober 2011 van het beroepschrift van appellant heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim een jaar en zeven maanden geduurd, waarmee de rechtbank in deze fase de haar toekomende behandelingsduur van anderhalf jaar heeft overschreden. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 21 juni 2013 van het hogerberoepschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak ruim twee jaar en acht maanden geduurd. De Raad heeft de hem toekomende behandelingsduur van twee jaar overschreden. Dit betekent dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met tien maanden die voor rekening van de Staat komt. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding aan appellant van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep tot een bedrag van € 1.000,-

(twee keer € 500).

5. Nu het Uwv eerst in hoger beroep de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.240,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor de nadere zitting) en op € 1.331,50,- in hoger beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, 0,5 punt voor de nadere zitting met een waarde van € 496,- per punt, en € 91,50 voor gemaakte reiskosten) in totaal

€ 2.571,50. De kosten voor een deskundige komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu het hoger beroep niet slaagt. Tevens wordt bepaald dat het Uwv aan appellant het griffierecht in beroep € 41,- en hoger beroep € 118,-, in totaal € 159,- vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een

bedrag van € 2.571,50;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 159,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2016.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

AP