Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:911

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
15/2238 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Het recht op bijstand is niet vast te stellen. Appellante heft onvoldoende informatie verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2238 WWB

Datum uitspraak: 8 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

24 februari 2015, 14/2341 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Vaals (college)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van het opheffen van de gemeenschappelijke regeling per 1 januari 2016 treedt in dit geding het college in de plaats van het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland. In deze uitspraak wordt onder college tevens verstaan het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland.

Namens appellante heeft mr. S. Ikiz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Namens appellante is verschenen mr. Ikiz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.T.P.P. Gijsens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk vanaf 8 januari 2013 naar de norm voor een alleenstaande. Zij stond van 12 augustus 2011 tot

1 oktober 2013 in de gemeentelijke basisadministratie (GBA), thans basisregistratie personen, ingeschreven op het [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een controle van het team Integrale Handhaving van de gemeente Vaals op het uitkeringsadres op 26 september 2013, waarbij aldaar twee Roemenen werden aangetroffen, en een huisbezoek op 7 oktober 2013, waarbij appellante verklaarde dat zij sinds 6 oktober 2013 een nieuw slot had en weer in de woning verbleef, heeft de sociale recherche een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dit kader heeft het college, voor zover van belang, appellante bij brief van

7 oktober 2013 uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de sociale dienst van de gemeente Vaals op 15 oktober 2013. Hierbij heeft het college appellante verzocht de bankafschriften over de periode vanaf juni 2013 tot en met 7 oktober 2013 (gevraagde gegevens) mee te brengen. Appellante is zonder bericht niet verschenen.

1.3.

Bij besluit van 24 oktober 2013 heeft het college het recht op bijstand van appellante met ingang van 26 september 2013 opgeschort. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante niet is verschenen op de afspraak van 15 oktober 2013 en dat zij de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Hierbij is appellante in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na verzending van deze beslissing het verzuim te herstellen en de gevraagde gegevens alsnog over te leggen. Appellante heeft geen gegevens overgelegd.

1.4.

Bij besluit van 8 november 2013 heeft het college de bijstand met ingang van

26 september 2013 ingetrokken.

1.5.

Bij besluit van 17 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 8 november 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat zij de gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gegeven hersteltermijn heeft overgelegd, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 26 september 2013 tot en met 8 november 2013

(te beoordelen periode).

4.2.

Desgevraagd heeft het college ter zitting verklaard dat de intrekking berust op artikel 54, derde lid, van de WWB. In het navolgende wordt hiervan uitgegaan.

4.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

4.4.

Ter zitting heeft appellante gesteld dat zij in februari 2014 alsnog de gevraagde gegevens aan het college heeft overgelegd. Nu deze gegevens zich niet bij de stukken bevinden en appellante deze stelling overigens ook op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt, moet het er in dit geding voor worden gehouden dat appellante de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.

4.5.

Appellante heeft vervolgens betwist dat de gevraagde gegevens van belang waren voor de beoordeling van haar recht op bijstand. Deze beroepsgrond slaagt niet. De gevraagde gegevens waren in het onderhavige geval noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de woonsituatie van appellante en daarmee ook voor de beoordeling van haar recht op bijstand. Nu appellante de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd, heeft zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.6.

Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank haar persoonlijke problemen ten onrechte niet heeft meegewogen bij de beoordeling van de vraag of zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. In dit verband heeft appellante gesteld dat bij haar sprake is van multiproblematiek. Hierbij heeft zij gewezen op de taalbarrière, haar psychische en lichamelijke klachten en haar problemen met onderscheidenlijk de verhuurder van haar woning, het college, de gemeente Vaals en de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 17, eerste lid, van de WWB is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij niet relevant is of appellante bewust de informatie voor het college heeft willen achterhouden. Uitsluitend moet worden beoordeeld of appellante de hier aan de orde zijnde gegevens had moeten overleggen en dit heeft nagelaten. Dit laatste is, zoals hiervoor vastgesteld, het geval.

4.7.

Nu appellante ook na 15 oktober 2013 de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.8.

Vanaf 1 juli 2013 is het bijstandverlenend orgaan gehouden een besluit tot toekenning van bijstand te herzien, dan wel in te trekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Aangezien deze situatie zich hier voordoet, was het college gehouden de bijstand van appellante met ingang van 26 september 2013 in te trekken en bestond voor het college geen ruimte voor een belangenafweging, zoals appellante kennelijk voorstaat, om gelet op de door haar in 4.6 aangevoerde persoonlijke omstandigheden, geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien. Voor zover appellante een beroep doet op dringende redenen om van intrekking af te zien, slaagt dit beroep ook niet. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een intrekking voor een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De door appellante aangevoerde persoonlijke omstandigheden vormen geen dringende redenen in voormelde zin.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD