Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:909

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
15/2374 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling. In dit geval is geen sprake van negatieve oordelen, maar is het functioneren van appellant - op het subonderdeel ‘ondersteuning voetbalcoördinator’ na - als voldoende, en dus positief, beoordeeld. De gegeven toelichtingen kunnen de beoordeling op de aangevochten onderdelen dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2374 AW, 15/4010 AW

Datum uitspraak: 10 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

26 februari 2015, 14/116 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Kromhout hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpschef op 10 april 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft daartegen gronden aangevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kromhout. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.M. Meuser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 2007 als politieambtenaar werkzaam in de functie van medewerker basispolitiezorg B bij de voormalige [politieregio], thans [eenheid].

1.2.

Appellant heeft in het kader van het loopbaanbeleid Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (HAP II) een verzoek ingediend om door te stromen naar een seniorfunctie in de gebiedsgebonden politie (GGP). In dat verband is op 30 december 2012 het functioneren van appellant over de periode van 26 juli 2011 tot en met 31 december 2012 beoordeeld met een eindscore 3 (voldoende). Voorts is een potentieelbeoordeling opgesteld met als conclusie dat appellant ‘niet geschikt ‘is’ om in aanmerking te komen voor de

HAP II-regeling’. De beoordeling en de potentieelbeoordeling zijn op 28 mei 2013 aan appellant verzonden. Bij besluit van 3 december 2013 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen de besluiten van 28 mei 2013 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de korpschef opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen en het besluit van 28 mei 2013 herroepen voor wat betreft de toegekende score voor het subonderdeel ‘klantgerichtheid’. Daartoe is, samengevat en voor zover van belang, het volgende overwogen.

2.2.

Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking omdat daaraan, wat betreft de toelichting bij het subonderdeel ‘samenwerken’, een motiveringsgebrek kleeft. Voorts had de korpschef ten aanzien van de gegeven score op het subonderdeel ‘klantgerichtheid’ enkel kunnen volstaan met een score 4.

2.3.

Voor het overige kan de beoordeling de rechterlijke toets doorstaan. De korpschef heeft de gegeven score 2 op het subonderdeel ‘ondersteuning voetbalcoördinator’ voldoende gemotiveerd. Daaruit volgt dat appellant ontwikkelpunten heeft. Dit is in lijn met het ontwikkelingsgesprek van 26 juli 2011, met appellants zienswijze daarop en met de zienswijze van zijn leidinggevende in het kader van het doorstroomtraject politiekundige.

Deze laatste zienswijze geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat appellant op de bij meerdere subonderdelen terugkomende kritiek op het communicatief functioneren beter gefunctioneerd zou hebben dan in de beoordeling is omschreven. De zienswijze is niet onverkort positief, bevat verbeterpunten en de gegeven scores komen, vertaald naar het beoordelingssysteem, neer op scores ergens tussen een 3 en een 4.

2.4.

Daarnaast ziet de rechtbank geen grond voor vernietiging in het feit dat in de toelichting bij de beoordeling op het hoofdonderdeel ‘competenties’ waarvoor is verwezen naar de potentieelbeoordeling. Daarin is de korpschef ingegaan op het functioneren van appellant in de functie van generalist GGP als competenties en ontwikkelpunten die behoren bij de functie senior GGP.

3.1.

Bij besluit van 10 april 2015 (nader besluit) heeft de korpschef opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. De korpschef heeft de beoordeling van het functioneren van appellant op de competentie ‘samenwerken’ nader gemotiveerd en wat betreft de competentie ‘klantgerichtheid’ alsnog op score 4 gewaardeerd.

3.2.

Appellant kan zich met deze beoordeling evenmin verenigen. De Raad zal dit nader besluit met toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht daarom mede in zijn beoordeling betrekken.

4. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak en het nader besluit gericht.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen uitspraak

5.1.

Appellant is het niet eens met de in 2.3 en 2.4 weergegeven oordelen van de rechtbank. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:905) is de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het betrokken bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dat oordeel niet op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.

5.3.

In dit geval is geen sprake van negatieve oordelen, maar is het functioneren van appellant - op het subonderdeel ‘ondersteuning voetbalcoördinator’ na - als voldoende, en dus positief, beoordeeld. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat als een ambtenaar positieve scores betwist omdat hij meent dat die scores (nog) hoger moeten zijn, het op zijn weg ligt om aannemelijk te maken dat die scores op onvoldoende gronden berusten en hoger hadden moeten zijn. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2547) levert de omstandigheid dat, zoals in dit geval, de beoordeling niet goed genoeg is voor doorstroming naar de functie van senior GGP geen grond op om de bewijslast bij het bestuursorgaan te leggen.

5.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bij de - door appellant bestreden - verschillende onderdelen opgenomen toelichtingen de op die onderdelen toegekende scores kunnen dragen. Dit geldt ook voor de gegeven toelichtingen bij het onderdeel ‘resultaatafspraken’. Ook al zijn deze toelichtingen summier, daaruit volgt voldoende dat appellant de resultaatafspraken heeft gehaald. Het argument van appellant dat niet valt in te zien wat hij bijvoorbeeld bij het subonderdeel ‘kledingvoorschriften’ nog meer had moeten doen om hoger te scoren - wat daar ook van zij - rechtvaardigt nog niet dat dus een score 4 had moeten worden toegekend.

5.5.

De Raad volgt de rechtbank voorts in haar oordeel dat op grond van de zienswijze van de leidinggevende die is opgesteld ten behoeve van deelname aan het politiekundige traject geen hogere scores hadden moeten worden toegekend. Deze zienswijze is opgesteld met een ander doel dan de beoordeling en bevat een andere scoresystematiek.

5.6.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat de score 2 op het subonderdeel ‘ondersteuning voetbalcoördinator’ onhoudbaar is. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de gegeven toelichting blijkt dat het functioneren van appellant op dit punt verbetering behoefde en dit gezien het ontwikkelingsgesprek van 26 juli 2011 geen verrassing kon zijn.

5.7.

Anders dan appellant en met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat voor de toelichting bij het hoofdonderdeel ‘competenties’ wordt verwezen naar de potentieelbeoordeling, niet meebrengt dat de beoordeling niet in stand kan blijven. In de toelichting op de potentieelbeoordeling wordt immers (ook) expliciet ingegaan op het functioneren van appellant in de functie van generalist GGP. Tevens wordt van belang geacht dat uit de gedingstukken blijkt dat de potentieelbeoordeling op verzoek van appellant bij de beoordeling is gevoegd en tegelijk met de beoordeling aan appellant is verzonden.

5.8.

Appellant voert verder aan dat de negatieve kritiek die hij in de beoordeling heeft gekregen niet valt te rijmen met de potentieelbeoordeling waarin hij geschikt wordt geacht om de functie voor senior GGP uit te oefenen. Hierin wordt appellant niet gevolgd. De beoordeling is, zoals onder 5.3 is overwogen, grotendeels positief en bevat ontwikkelpunten. De eindconclusie in deel 5 van de beoordeling is dat appellant naar de toekomst toe zeker, minimaal, een goede brigadier zal kunnen worden. Dit acht de Raad niet in tegenspraak met de conclusie in de potentieelbeoordeling dat appellant niet geschikt is om in aanmerking te komen voor de HAP II-regeling. Gelet daarop heeft de leidinggevende, zo leest de Raad de samenvatting van zijn zienswijze in de potentieelbeoordeling, bewust geen negatief of positief advies uitgebracht.

Het nader besluit

5.9.

Ten aanzien van het nader besluit voert appellant aan dat de aangepaste motivering bij de competentie ‘samenwerken’ onhoudbaar is. Dit betoog slaagt niet. De Raad acht de gegeven toelichting, gelet op wat onder 5.3 is overwogen, in overeenstemming met de gegeven

score 3. Dat de toon negatiever zou zijn en appellant ontwikkelpunten zouden worden tegengeworpen die zien op competenties van een senior GGP, ziet de Raad niet in.

5.10.

Uit 5.1 tot en met 5.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking. Uit 5.9 volgt dat het beroep tegen het nader besluit ongegrond dient te worden verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 april 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) A. Mansourova

HD