Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:908

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
15/1276 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling. In dit geval is geen sprake van negatieve oordelen, maar is het functioneren van appellant als voldoende, en dus positief, beoordeeld. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat als een ambtenaar positieve scores betwist omdat hij meent dat die scores (nog) hoger moeten zijn, het op zijn weg ligt om aannemelijk te maken dat die scores op onvoldoende gronden berusten en hoger hadden moeten zijn. Wat betreft de potentieelbeoordeling is de Raad van oordeel dat de conclusie dat appellant vooralsnog niet geschikt is voor de functie van senior GGP wordt gedragen door de daarin gegeven toelichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1276 AW, 15/2897 AW

Datum uitspraak: 10 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

13 januari 2015, 14/480 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.D. Dane, advocaat, een beroepschrift ingediend.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpschef op 13 maart 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft daartegen gronden aangevoerd.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dane. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.M. Meuser en J.F.C. Reumkens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 21 februari 1998 werkzaam als medewerker basispolitiezorg in de rang van hoofdagent bij de voormalige [politieregio], thans [eenheid].

1.2.

Appellant heeft in het kader van het loopbaanbeleid Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (HAP II) een verzoek ingediend om door te stromen naar een seniorfunctie in de gebiedsgebonden politie (GGP). In dat verband is op 15 november 2012 het functioneren van appellant in de periode van 1 januari 2010 tot 1 november 2012 beoordeeld met een eindscore 3 (voldoende). In de beoordeling is voorts opgenomen dat appellant niet geschikt wordt geacht voor de functie van senior GGP. Bij besluit van 18 december 2012 heeft het bevoegd gezag de beoordeling vastgesteld.

1.3.

Bij besluit van 30 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2012 onder aanvulling van de motivering ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de korpschef opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van haar uitspraak en het besluit van 18 december 2012 herroepen voor wat betreft de toegekende scores voor de subonderdelen ‘kwaliteitsgerichtheid’ en ‘klantgerichtheid’ en de zinsnede in de toelichting bij de eindconclusie dat appellant niet geschikt is voor de functie van senior GGP. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat en voor zover van belang - het volgende overwogen.

2.2.

De score op de competentie ‘vakmanschap’ berust op onvoldoende gronden; de korpschef dient deze toelichting alsnog te geven. De scores op de competentie ‘kwaliteitsgerichtheid’ en ‘klantgerichtheid’ zijn onhoudbaar, omdat de toelichting dermate positief is dat enkel de

score 4 passend is. Verder dient de zinsnede in de toelichting bij de eindconclusie dat appellant niet geschikt is voor de functie van senior GGP te worden geschrapt. De korpschef dient in plaats daarvan een potentieelbeoordeling op te maken, omdat hij deze in strijd met de Uitvoeringsafspraken HAP II en het Protocol Potentieelbeoordeling niet heeft opgemaakt, terwijl de uit een potentieelbeoordeling blijkende verwachte geschiktheid een zelfstandige eis voor bevordering is.

2.3.

De rechtbank heeft de scores voor de hoofdonderdelen ‘functievervulling’ en ‘resultaatafspraken’ en de daaronder vallende subonderdelen niet onhoudbaar geacht.

3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak bestreden op de hierna te bespreken gronden.

4.1.

Bij besluit van 13 maart 2015 (nader besluit) heeft de korpschef het bezwaar gegrond verklaard. Overeenkomstig de opdracht van de rechtbank heeft de korpschef de beoordeling gewijzigd, de scores met betrekking tot de (sub)onderdelen ‘kwaliteitsgerichtheid’ en ‘klantgerichtheid’ vastgesteld op een 4 en een aparte potentieelbeoordeling opgemaakt. De korpschef heeft geen aanleiding gezien de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar te vergoeden, omdat geen sprake is van herroeping van de beoordeling van

18 december 2012.

4.2.

Appellant kan zich niet vinden in het nader besluit en de daarin opgenomen potentieelbeoordeling. Appellant heeft aangevoerd dat de korpschef in de potentieelbeoordeling ten onrechte het criterium van ruime werkervaring heeft gehanteerd. Bovendien is appellant daarover niet geïnformeerd. Voorts ontbreekt verslaglegging van het doen van navraag bij de teamchef. Tot slot heeft de korpschef ten onrechte geen vergoeding toegekend voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

4.3.

De Raad zal het nader besluit met toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in zijn beoordeling betrekken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


De aangevallen uitspraak

5.1.

Appellant is het niet eens met het in 2.3 weergegeven oordeel van de rechtbank. Volgens appellant is sprake is van een disbalans tussen de scores en de daarbij gegeven toelichtingen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:905) is de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het betrokken bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dat oordeel niet op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid, het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.

5.3.

In dit geval is geen sprake van negatieve oordelen, maar is het functioneren van appellant als voldoende, en dus positief, beoordeeld. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat als een ambtenaar positieve scores betwist omdat hij meent dat die scores (nog) hoger moeten zijn, het op zijn weg ligt om aannemelijk te maken dat die scores op onvoldoende gronden berusten en hoger hadden moeten zijn. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van

30 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2547) levert de omstandigheid dat, zoals in dit geval, de beoordeling niet goed genoeg is voor doorstroming naar de functie van senior GGP geen grond op om de bewijslast bij het bestuursorgaan te leggen.

5.4.

De toelichting bij het subonderdeel ‘opsporing’ geeft onvoldoende steun voor de opvatting van appellant dat hieruit volgt dat hij functie-overstijgende werkzaamheden heeft verricht waar een score 4 bij past. De taken van een hoofdagent bestaan onder meer uit het opnemen van eenvoudige meldingen en aangiften van strafbare feiten/misdrijven. Dat appellant gedurende een relatief korte periode van detachering in wat ingewikkelder zaken duidelijke, heldere processen-verbaal heeft opgemaakt betekent niet dat hij score 4 had moeten krijgen.

5.5.

Bij de resultaatafspraken ‘opsporing’, ‘afhandeling meldingen’, ‘te verwezenlijken doorlooptijden’, ‘processen-verbaal’, ‘overige resultaatafspraken’ en ‘RTGP’ acht de Raad van belang dat een score 3 correspondeert met ‘de taken zijn op de gewenste wijze uitgevoerd’. De stelling van appellant dat hij doorlopend gecertificeerd is geweest, leidt nog niet tot het oordeel dat bij het subonderdeel ‘RTGP’ geen andere score dan een 4 mogelijk is.

5.6.

Wat in de verslagen van de ontwikkelgesprekken over de periode van 1 augustus 2009 tot 1 juli 2011 is opgenomen over het draaien van nachtdiensten geeft geen aanleiding voor de conclusie dat de gegeven score bij het subonderdeel ‘resultaatgerichtheid’ hoger dan een

score 3 had moeten zijn.

Het nader besluit

5.7.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat de nadere motivering van de competentie ‘vakmanschap’ onhoudbaar is omdat voor hem - gelet op zijn ruime werkervaring - de lat hoger zou zijn gelegd en hij hier dus een 4 had moeten scoren. Ter zitting is namens de korpschef toegelicht dat van appellant gezien zijn ruime werkervaring meer kan worden verwacht, maar dat dit niet heeft geleid tot een lagere score dan aan iemand zonder die ruime werkervaring zou zijn toegekend. Bij eenzelfde mate van presteren kunnen ervaringsjaren niet tot een hogere of lagere score leiden. De Raad verenigt zich met die uitleg. Het ontbreken van verslaglegging van het doen van navraag bij de teamchef kan niet leiden tot het oordeel dat de nadere motivering gebrekkig is, te minder omdat de korpschef daarin expliciet aangeeft dat hij de door de teamchef gegeven nadere motivering tot de zijne maakt.

5.8.

Wat betreft de potentieelbeoordeling is de Raad van oordeel dat de conclusie dat appellant vooralsnog niet geschikt is voor de functie van senior GGP wordt gedragen door de daarin gegeven toelichting. Uit wat appellant ter zitting heeft betoogd ten aanzien van de in de potentieelbeoordeling gegeven scores valt niet af te leiden dat de potentieelbeoordeling, in zijn geheel bezien, op onvoldoende gronden berust.

5.9.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de korpschef veroordeeld in de door appellant gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Reeds daarom kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog dat in het nader besluit ten onrechte van vergoeding van die kosten is afgezien.

5.10.

Uit 5.1 tot en met 5.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. Uit 5.7 tot en met 5.9 volgt dat het beroep tegen het nader besluit ongegrond moet worden verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het nader besluit van 13 maart 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) A. Mansourova

HD