Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:900

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
15/3323 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsaanvraag is buiten behandeling gelaten. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de brief naar appellante is verzonden. Het college moet een nieuwe inhoudelijke beslissing nemen op het bezwaar. Het college dient appellante in het kader van het te verrichten onderzoek alsnog in de gelegenheid te stellen de ontbrekende bankafschriften te verstrekken, waarbij het college in beginsel gerechtigd is inzage te verlangen in de bankafschriften tot drie maanden, voorafgaand aan de aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3323 WWB

Uitspraak: 8 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2015, 14/6733 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Hüsen, kantoorgenoot van mr. Nieuwstraten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.B.H. Fijneman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante en haar partner (W) hebben zich op 16 januari 2014 gemeld bij het jongerenloket voor een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 20 februari 2014 hebben appellante en W de aanvraag ingediend en op 11 maart 2014 enkele gegevens overgelegd.

1.2.

Bij brief van 31 maart 2014 heeft het college appellante gevraagd voor 14 april 2014 alle originele opeenvolgende bankafschriften van alle betaal- en spaarrekeningen van haar en W over de afgelopen zes maanden te verstrekken. Daarbij heeft het college appellante erop gewezen dat op de bankafschriften de naam, het adres, het saldo en het rekeningnummer dienen vermeld te staan en dat de door appellante ingeleverde internet printjes geen originele bankafschriften zijn. Het college heeft appellante erop gewezen dat het niet verstrekken van de gevraagde gegevens tot gevolg kan hebben dat de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling wordt gelaten. Bij brief van

14 april 2014 heeft het college appellante nogmaals gevraagd om de in de brief van 31 maart 2014 genoemde gegevens te verstrekken, nu voor 21 april 2014.

1.3.

Bij besluit van 23 april 2014 heeft het college de aanvraag niet in behandeling genomen.

1.4.

Bij besluit van 22 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 april 2014 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de gevraagde gegevens niet volledig binnen de gegeven hersteltermijn heeft overgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de informatie die zij heeft verschaft voldoende was om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Appellante heeft door middel van een ontvangstbevestiging bewezen dat zij de gevraagde gegevens op 14 april 2014 heeft verstrekt. De tweede hersteltermijnbrief van 14 april 2014 heeft appellante niet ontvangen. Appellante dient daarom alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om die stukken te leveren. Het is aannemelijk dat het college de verstrekte gegevens niet bij de buitenbehandelingstelling heeft betrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Niet in geschil is dat de gevraagde bankafschriften noodzakelijk waren voor de vaststelling van het recht op bijstand. Het college heeft op 14 april 2014 geconstateerd dat de bankafschriften niet volledig waren verstrekt en heeft aanleiding gezien om appellante bij brief van 14 april 2014 een tweede hersteltermijn te verlenen tot 21 april 2014. Appellante heeft de ontvangst van deze brief betwist.

4.3.

In het geval van de niet aangetekende verzending van een besluit of een ander document dat rechtens van belang is, geldt als uitgangspunt dat het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

4.4.

Ter zitting heeft het college desgevraagd geantwoord dat van de brief van 14 april 2014 geen verzendregistratie kan worden overgelegd. Gelet hierop stelt de Raad vast dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 14 april 2014 naar appellante is verzonden. Daardoor is niet aannemelijk gemaakt dat appellante de brief heeft ontvangen.

4.5.

Nu het college heeft bedoeld appellante een tweede hersteltermijn te verlenen en appellante daarvan geen gebruik heeft kunnen maken, kan het college appellante niet tegenwerpen dat zij de gevraagde gegevens niet binnen die tweede hersteltermijn heeft verstrekt. Het bestreden besluit kan gelet hierop niet in stand blijven.

4.6.

De rechtbank heeft wat in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen in dit geval niet in stand worden gelaten en de Raad beschikt over onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Toepassing van een zogeheten bestuurlijke lus acht de Raad niet aangewezen aangezien het college nog niet inhoudelijk op de aanvraag heeft beslist. De Raad zal het college opdracht geven om een nieuwe inhoudelijke beslissing te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 april 2014. Het college dient appellante in het kader van het te verrichten onderzoek alsnog in de gelegenheid te stellen de ontbrekende bankafschriften te verstrekken, waarbij het college in beginsel gerechtigd is inzage te verlangen in de bankafschriften tot drie maanden, voorafgaand aan de aanvraag.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 17,40 voor reiskosten in hoger beroep, in totaal dus € 2.001,40.

6. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Raad verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 augustus 2014;

- draagt het college op binnen acht weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak

een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 2.001,40;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) M. Zwart

HD