Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:898

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
15/2503 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van de verhuizing. Geen noodzakelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2503 WWB

Datum uitspraak: 8 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 februari 2015, 14/5937 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand, ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. In november 2011 zijn de twee kinderen van appellant bij hem komen wonen. Appellant heeft op 24 maart 2014 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting en verhuizing naar een grotere woning, alsmede voor de kosten van vervanging van de koelkast en aanschaf van een fornuis.

1.2.

Bij besluit van 10 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat geen sprake is van sociale omstandigheden die de verhuizing noodzakelijk maakte. De kinderen van appellant zijn in november 2011 bij hem komen wonen en zijn toenmalige woning beschikte over twee slaapkamers. De grootte van de woning maakte daarom niet dat sprake is van een noodzakelijke verhuizing. Voor zover de aanvraag ziet op de vervanging van de koelkast en de aanschaf van een fornuis heeft appellant ook niet aangetoond dat deze kosten noodzakelijk zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.2.

Niet in geschil is dat de kosten van de verhuizing en woninginrichting zich voordeden. Tussen partijen is in geschil of sprake was van noodzakelijke kosten.

4.3.

De grond van appellant dat de kleine behuizing van zijn vorige woning betekent dat sprake is van een noodzakelijke verhuizing, slaagt niet. Vaststaat dat de kinderen van appellant in november 2011 bij hem zijn komen wonen en geruime tijd samen met appellant in zijn vorige woning hebben gewoond. Dat sprake was van een kleine behuizing en voor appellant na de komst van zijn kinderen duidelijk was dat zij niet in deze woning wilden blijven wonen, maakt niet dat sprake was van een noodzakelijke verhuizing. De grond dat appellant gedurende langere tijd heeft geprobeerd te verhuizen, maar dat er mede gelet op zijn schulden geen mogelijkheden waren om te verhuizen, leidt niet tot een ander oordeel. Het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen maakt immers niet dat om die reden wel sprake zou zijn van een noodzakelijke verhuizing.

4.4.

Ten aanzien van de kosten van vervanging van de koelkast en aanschaf van het fornuis heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt dat deze kosten noodzakelijk zijn. Daartoe is van belang dat tijdens het huisbezoek op 9 april 2014 een volledig ingerichte woning en een koelkast in werkende staat is aangetroffen.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2016.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) C. Moustaïne

HD