Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:897

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
15/2977 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning bijstand met terugwerkende kracht. Geen sprake van onzorgvuldig handelen door het college.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2977 WWB

Datum uitspraak: 8 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 maart 2015, 14/6541 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B. Özateș, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Namens appellanten is

mr. Özateș verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.W. Wieringa en M.J.A. Notenboom.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen laatstelijk vanaf 26 september 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 18 juni 2013 heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 mei 2013 beëindigd (lees: ingetrokken), op de grond dat appellant per 1 mei 2013 is gaan werken bij [naam B.V.] en appellanten door de inkomsten uit arbeid van appellant samen met de heffingskorting minst verdienende partner over voldoende middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Daarbij is vermeld dat appellanten met spoed de algemene heffingskorting bij de Belastingdienst dienen aan te vragen.

1.3.

Op 19 oktober 2013 heeft appellant in verband met werkloosheid een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 11 november 2013 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverekeringen (UWV) aan appellant van 1 november 2013 tot en met 31 januari 2014 een WW-uitkering toegekend. Bij besluit van 22 november 2013 heeft het UWV de aanvraag van appellanten van 9 november 2013 om een toeslag op de

WW-uitkering afgewezen.

1.4.

Appellanten hebben zich op 28 november 2013 gemeld bij het UWV Werkbedrijf om aanvullende bijstand aan te vragen. Op 19 december 2013 hebben appellanten de aanvraag ingediend. Appellanten hebben daarbij verzocht om de bijstand toe te kennen met ingang van 1 mei 2013, omdat zij sinds die datum beschikken over een inkomen onder het sociaal minimum.

1.5.

Bij besluit van 23 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 augustus 2014 (bestreden besluit), heeft het college appellanten aanvullende bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden met ingang van 28 november 2013. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten zich op 28 november 2013 hebben gemeld voor het aanvragen van bijstand. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat aan appellanten met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2013 bijstand moet worden toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2013 moet worden toegekend. Er is sprake van bijzondere omstandigheden, gelegen in het onzorgvuldig handelen van het college waardoor appellanten gedurende een periode van zeven maanden een inkomen onder bijstandsniveau hadden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of in het geval van appellanten sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat hen met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend over de periode van 1 mei 2013 tot 28 november 2013.

4.2.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 23 maart 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM0861) dient een onderscheid te worden gemaakt in verschillende periodes vanwege het verschil in toetsingskader bij die te onderscheiden periodes. Bij een te beoordelen periode waarover reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden ligt het op de weg van de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan te voeren op grond waarvan voor het bestuursorgaan aanleiding moet bestaan van zijn eerdere besluitvorming terug te komen. Over een periode die ligt vóór de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of een aanvraag om bijstand heeft ingediend en waarover nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden, wordt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2996) inzake de toepassing van artikel 43 en artikel 44 van de WWB in beginsel geen bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, of indien is gebleken dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het UWV of het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.

4.3.

Wat de periode van 1 mei 2013 tot en met 18 juni 2013 betreft, geldt dat appellanten geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb hebben aangevoerd.

4.4.

Met betrekking tot de periode van 19 juni 2013 tot 28 november 2013 moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend. Appellanten hebben in dit verband uiteengezet dat appellant door bemiddeling van het college met ingang van 1 mei 2013 een baan bij

[naam B.V.] heeft moeten aanvaarden tegen een inkomen onder bijstandsniveau. Het college had er daarom op grond van zijn zorgplicht na 1 mei 2013 op moeten toezien dat appellanten over inkomen op bijstandsniveau zouden blijven beschikken.

4.5.

Anders dan appellanten betogen, lag het na de beëindiging van de bijstand niet op de weg van het college om erop toe te zien of appellanten over een inkomen op bijstandsniveau konden beschikken. Appellanten hadden zich, zodra zij meenden niet langer over een inkomen op bijstandsniveau te beschikken, moeten melden om aanvullende bijstand aan te vragen. Niet is gebleken van beletselen die aan een eerdere melding in de weg hebben gestaan. Appellanten hebben ter zitting weliswaar aangevoerd dat zij zich steeds hebben gemeld bij de balie van de gemeente Barendrecht en dat zij zijn afgehouden van het doen van een aanvraag, maar zij hebben deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Ook de gedingstukken bieden daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Nu geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gesteld en voorts niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat het college met terugwerkende kracht bijstand moest verlenen, is de rechtbank aan de vraag of appellanten in de periode van 1 mei 2013 tot 28 november 2013 over inkomen onder bijstandsniveau beschikten terecht niet toegekomen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) M. Zwart

HD