Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:896

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
14/2375 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel: verlaging bijstand met 100% voor de duur van een maand, omdat appellant onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden voorziening. Participatieplaats. Verwijtbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/404 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2375 WWB

Datum uitspraak: 8 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

20 maart 2014, 13/466 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Leest. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C. van der Voorn en K.J. van der Kuil.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van zijn arbeidsinschakeling heeft het college appellant op 25 juni 2012 aangemeld voor een participatieplaats bij UW bedrijven (UW). Per brief van 29 augustus 2012 heeft het college appellant uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst op 4 september 2012 bij UW. Appellant is daar verschenen. In het rapport dat de werkcoach van appellant van deze bijeenkomst heeft opgemaakt, heeft de werkcoach vermeld dat appellant het aanbod heeft geweigerd omdat hij dit aanbod niet geschikt vindt voor hem.

1.3.

Bij besluit van 29 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 december 2012 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant verlaagd met 100% voor de duur van een maand. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden voorziening.

1.4.

Bij tussenuitspraak van 14 oktober 2013, 13/466-T (tussenuitspraak), heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld het motiveringsgebrek dat aan het bestreden besluit kleeft te herstellen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Niet is gebleken dat het aan appellant aangeboden participatietraject een voorziening op maat was en het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon van appellant toegesneden afweging. Het college heeft daarom vooralsnog onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het appellant kan en moet worden verweten dat hij het aangeboden participatietraject heeft geweigerd.

1.5.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij brief van 12 november 2013 de motivering van het bestreden besluit aangevuld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het college in zijn aanvullende motivering op het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat het participatietraject voor appellant een voorziening op maat was en zorgvuldig op de persoon van appellant was toegesneden.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gebleven. Hij voert aan dat de aangeboden participatieplaats geen geschikte voorziening voor hem was en dat het college heeft nagelaten het vereiste maatwerk te leveren. Aan appellant is niet concreet medegedeeld waaruit de voorziening zou bestaan en waarom deze voor hem is aangewezen. Daarbij was het voor hem niet kenbaar dat weigering van de voorziening zou leiden tot het opleggen van een maatregel. K. van der Burg (B) had hem verteld dat als appellant geen heil zag in de participatieplaatsen, hij mocht weggaan. Dit zou geen gevolgen hebben voor de bijstand van appellant. Ten slotte stelt appellant dat het college een besluit had moeten nemen over de aanmelding bij UW.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de hier van belang zijnde bepalingen van de WWB en de Verordening maatregelen inkomensvoorzieningen Utrecht 2012 (Verordening) verwijst naar de tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant tijdens de informatiebijeenkomst van 4 september 2012 te kennen heeft gegeven niet in te gaan op het aanbod voor een participatieplaats.

4.2.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB is appellant verplicht om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Deze verplichting vloeit rechtstreeks voort uit de wet. Het betoog van appellant dat het college over de aanmelding van appellant bij UW een besluit had moeten afgeven, slaagt dan ook niet.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3331) is het niet aan de belanghebbende maar aan het college om te bepalen welke voorziening voor de belanghebbende is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel (arbeidsinschakeling) te bereiken. Wel is vereist dat het college maatwerk levert en de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden afweging.

4.4.

Het college heeft in zijn nadere motivering toegelicht dat met de participatieplaats bij UW het doel, namelijk bredere inzetbaarheid, grotere kans op re-integratie en het opdoen van recente werkervaring kan worden bereikt. Gelet op de lange periode dat appellant bijstand ontving en zijn beperkte opstelling ten aanzien van een mogelijke opleiding en werkinrichting, is een participatieplaats waarmee bovenstaande doelen kunnen worden bereikt een voorziening op maat en toegesneden op de persoon van appellant.

4.5.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellant op 4 september 2012 bij UW een algemene bespreking heeft bijgewoond met acht andere personen, waarbij over verschillende concrete werkzaamheden is gesproken die bij UW beschikbaar waren. Daarna zou in een individueel gesprek worden besproken welk concreet werk geschikt zou zijn voor de desbetreffende persoon. Appellant wilde voorafgaand aan dit individuele gesprek al weg, maar heeft nog kort met B gesproken. Tot een individueel gesprek over voor appellant geschikte werkzaamheden is het door het vertrek van appellant niet meer gekomen.

4.6.

Het college heeft toereikend gemotiveerd waarom een participatietraject bij UW in zijn algemeenheid voor appellant geschikt was. Door de in 4.5 beschreven gang van zaken heeft appellant een concreet aanbod van UW voor een participatieplaats evenwel niet afgewacht. Het voortijdig vertrek van appellant heeft daardoor in de weg gestaan aan concretisering van de door het college aangeboden voorziening. Om die reden kan niet worden gezegd dat het college geen maatwerk heeft geboden.

4.7.

Door te weigeren in te gaan op het aanbod voor een participatieplaats heeft appellant geweigerd om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Daarmee heeft appellant de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB overtreden. Het college was daarom ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand van appellant te verlagen overeenkomstig de toepasselijke Verordening, tenzij elke verwijtbaarheid ontbrak. Het is aan appellant om aannemelijk te maken dat hem geen enkel verwijt treft. Dit vloeit voort uit het uitzonderingskarakter van de laatste volzin van artikel 18, tweede lid, van de WWB.

4.8.

Appellant is in deze bewijslast niet geslaagd. Hij heeft gesteld dat B uitspraken heeft gedaan waaraan hij het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat weigering van het aanbod geen gevolgen zou hebben voor zijn bijstand. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:318) vereist dat van de zijde van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is hier geen sprake. Bij navraag door het college heeft B verklaard de door appellant gestelde toezegging niet te hebben gedaan. De gedingstukken geven daar evenmin blijk van. Daarbij komt dat B niet werkzaam was voor het college maar voor UW. Zo dus al sprake was van een toezegging, dan was deze bovendien niet afkomstig van het tot beslissen bevoegde orgaan.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) B. Fotchind

HD