Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
14/5094 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Meerdere auto's op naam niet gemeld. Het recht op bijstand is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5094 WWB

Datum uitspraak: 8 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

15 juli 2014, 14/1429 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.J. Postma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 26 januari 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 12 februari 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Appellanten hebben bij hun aanvraag opgegeven twee auto’s met de kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] te bezitten.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal omstreeks 27 maart 2013 dat appellant zonder toestemming bezig is met de voorbereidingen voor een eigen bedrijf en mogelijk al met dat bedrijf actief is, heeft een consulent inkomen (consulent) van de gemeente Achtkarspelen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de consulent onder andere internetonderzoek verricht en via Suwinet gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW) geraadpleegd. Hieruit blijkt dat op naam van appellanten meer dan de opgegeven twee auto’s geregistreerd hebben gestaan. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 22 augustus 2013.

1.3.

. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

21 augustus 2013 (besluit 1) de bijstand van appellanten met ingang van 12 februari 2012 in te trekken op de grond dat appellanten hebben verzuimd volledige inlichtingen te verstrekken over onder andere hun vermogenspositie, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.4.

Bij besluit van 3 september 2013 (besluit 2) heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 12 februari 2012 tot 1 maart 2013 tot een bedrag van € 16.265,57 van appellanten teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 20 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat appellanten in strijd met de inlichtingenverplichting het bezit van meerdere voertuigen niet hebben gemeld. Door de onduidelijke waarde van de voertuigen is het recht op bijstand niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil is beperkt tot de intrekking en terugvordering over de periode van 12 februari 2012 tot en met 31 december 2012 (periode in geding).

4.2.

Niet in geschil is dat in de periode in geding in ieder geval de door appellanten in beroep opgegeven zes voertuigen op hun naam stonden geregistreerd, waarvan er vier de gehele periode en twee een gedeelte van de periode op naam van appellant stonden. Naar vaste rechtspraak rechtvaardigt het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van de betrokkene staat, de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel van diens vermogen vormt waarover hij ook daadwerkelijk de beschikking heeft of redelijkerwijs kan beschikken.

In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn daarin niet geslaagd.

4.3.

Door van het bezit van de voertuigen geen melding te maken bij het college hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het betoog van appellanten dat het college al ten tijde van de verlening van de bijstand op de hoogte was van het bezit van de auto’s, slaagt niet. Appellanten hebben toen immers alleen het bezit van twee auto’s bij het college gemeld.

4.4.

Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de betrokkene recht op bijstand heeft.

4.5.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de zes voertuigen een lagere waarde vertegenwoordigen dan de voor hen geldende grens van het vrij te laten vermogen. De verklaring van een koper dat hij appellanten € 3.750,- voor de auto met het kenteken

[kenteken 2] heeft betaald, heeft het college terecht als niet geloofwaardig aangemerkt nu in een verkoopadvertentie van deze auto staat dat alles aan deze auto nieuw is. Voorts heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij de bus met kenteken [kenteken 3] voor een bedrag van € 700,- hebben verkocht, nu zij in een advertentie van deze bus een vraagprijs van € 9.750,- hebben vermeld. Evenmin is de verklaring van appellanten aannemelijk dat zij de aanhanger met kenteken [kenteken 4] hebben verkregen in ruil voor oude troep. Deze aanhanger is blijkens gegevens van de RDW aangeschaft op 27 oktober 2012 en de nieuwwaarde hiervan bedraagt volgens gegevens van het college ongeveer € 4.200,-.

4.6.

Aangezien appellanten geen objectieve en controleerbare gegevens over de waarde van de voertuigen hebben overgelegd, kan het recht op bijstand over de periode in geding niet worden vastgesteld. Aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB is dan ook voldaan.

4.7.

Het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien slaagt niet. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Appellanten hebben hun stelling dat een terugbetaling van het teruggevorderde bedrag tot ernstige financiële problemen zal leiden, niet nader onderbouwd, zodat het college - anders dan appellanten betogen - hiermee geen rekening hoefde te houden. De door appellanten gestelde financiële problemen kunnen niet worden aangemerkt als een dringende reden als hiervoor bedoeld. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich voorts in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Daarbij hebben appellanten als schuldenaar bescherming, of kunnen zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) B. Fotchind

HD