Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:893

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
15/164 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WGA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Medische grondslag wordt onderschreven, de arbeidskundige grondslag is onvoldoende gemotiveerd. Volgt tussenuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/164 WIA-T

Datum uitspraak: 11 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 november 2014, 14/1023 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 7 september 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), onder de overweging dat appellante met ingang van

31 oktober 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 september 2009 is bij besluit van 20 oktober 2010 ongegrond verklaard. Aan het besluit van 20 oktober 2010 heeft het Uwv ten grondslag gelegd de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 17 augustus 2009 en 7 december 2009.

1.2.

Bij besluit van 3 september 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 24 mei 2011 tot 24 mei 2012 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, onder de overweging dat zij met ingang van 24 mei 2011 100% arbeidsongeschikt was.

1.3.

Bij besluit van 5 september 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 6 november 2013 niet langer recht bestaat op een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, onder de overweging dat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 september 2013 is bij besluit van 4 februari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd de verzekeringsgeneeskundige rapporten van

19 augustus 2013 en 24 januari 2014 en een arbeidskundig rapport van 3 februari 2014.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de verzekeringsartsen van het Uwv haar klachten als gevolg van ernstige fybromyalgie, dyslexie en Tramadol gebruik onvoldoende hebben erkend en dat er onvoldoende beperkingen voor haar functioneren in arbeid zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Daartoe heeft appellante gewezen op reeds eerder overgelegde informatie van 11 juli 2012 van Het Roessingh. Daarnaast heeft appellante gesteld dat de voor haar geselecteerde functies in medisch opzicht niet geschikt zijn. Daartoe heeft zij verwezen naar het reeds eerder overgelegde rapport van

29 augustus 2014 van de door haar ingeschakelde arbeidsdeskundige W. Mulder.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit niet ondeugdelijk is. Terecht heeft zij overwogen dat het door de verzekeringsartsen van het Uwv verrichte onderzoek zorgvuldig is geweest. Appellante is op 8 augustus 2013 op het spreekuur van een verzekeringsarts gezien. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de hoorzitting op 25 november 2013 bijgewoond. Beide verzekeringsartsen hebben het dossier bestudeerd. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 19 augustus 2013 en 24 januari 2014 komt naar voren dat appellantes klachten als gevolg van de fybromyalgie, dyslexie en het Tramadol gebruik zijn meegewogen. Met die klachten, voor zover deze konden worden geobjectiveerd, en het medicijngebruik, is rekening gehouden in de in de bezwaarprocedure aangepaste FML van 24 januari 2014. Uit die rapporten, gelezen in samenhang met de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 17 augustus 2009 en 7 december 2009, komt voorts naar voren dat geen verdergaande urenbeperking is aangenomen dan voor gemiddeld ongeveer 8 uur per dag en 40 uur per week, alsmede een beperking voor het werken in de avond en nacht. Voor verdergaande beperkingen van de werktijden ontbrak immers, mede uitgaande van de standaard ‘verminderde arbeidsduur’, een medische indicatie. Daartoe heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 17 augustus 2009 al vastgesteld dat de kans op gezondheidsschade als gevolg van slechts minimale belasting bij appellante niet aanwezig is. Appellante heeft geen moeheidsklachten als gevolg van een duidelijk medisch objectiveerbare ziekteoorzaak zoals ernstige hart- en/of longaandoeningen, ernstige ontstekingsverschijnselen of ernstige depressiviteit. Met juistheid heeft de rechtbank het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven. In een naar behoren gemotiveerd rapport van 11 juni 2014 heeft die arts gesteld dat de medische informatie waarnaar appellante in beroep verwijst, mede gelet op de datum in geding, geen aanknopingspunten bevat om af te wijken van de FML van 24 januari 2014. De in hoger beroep overgelegde informatie van Het Roessingh leidt niet tot een ander oordeel. Die informatie is destijds door een verzekeringsarts van het Uwv opgevraagd en is meegewogen bij de verzekeringsgeneeskundige beoordelingen.

4.2.1.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 24 januari 2014, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de geselecteerde functies van wikkelaar (SBC-code 267050) en magazijn-, expeditie medewerker (SBC-code 111220) te vervullen. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 3 februari 2014, gelezen in samenhang met arbeidskundige rapporten van 13 juni 2014 en 1 september 2014, de signaleringen in deze functies van mogelijke overschrijdingen van appellantes belastbaarheid afdoende gemotiveerd. In het bijzonder in het rapport van 13 juni 2014 heeft die arbeidsdeskundige afdoende en overtuigend gemotiveerd dat het werken met een kleine soldeerbout in de functie wikkelaar de belastbaarheid van appellante zoals vastgelegd in onderdeel 1.9.9 van de FML (niet werken met gevaarlijke machines) niet overschrijdt.

4.2.2.

Ten aanzien van de functie magazijnmedewerker (SBC-code 315020) komt uit overweging 4.4 van de aangevallen uitspraak niet geheel duidelijk naar voren of de rechtbank met de arbeidskundige grondslag daarvan instemt dan wel die grondslag - al dan niet ten overvloede oordelend - verwerpt. Wat daarvan zij, de Raad is van oordeel dat in de arbeidskundige rapporten niet deugdelijk is gemotiveerd dat het traplopen in deze functie in medisch opzicht aanvaardbaar is. Appellante kan volgens de in de FML verwoorde belastbaarheid bij onderdeel 4.20 (trappenlopen) tenminste in één keer één trap (één verdieping woonhuis) op en af. Daarbij is niet vermeld dat het, zoals in het arbeidskundig rapport van 3 februari 2014 is opgemerkt, bij dit traplopen gaat om 15 treden per keer met een frequentie van 5 keer per uur. In de functie magazijnmedewerker moet appellante dagelijks tijdens 2 werkuren een trap met 54 treden op en af en dagelijks tijdens 4 werkuren een trap met 6 treden op en af. De mogelijkheid om een trap met aanzienlijk meer treden op en af te gaan, al dan niet in eigen tempo, kan niet uitsluitend worden gebaseerd op een bepaalde verhouding tussen het aantal treden dat per keer moet worden beklommen en de frequentie daarvan per uur. Dit geldt temeer als in de FML de mogelijke frequentie niet precies is aangeduid. Onder deze omstandigheden acht de Raad het uit oogpunt van zorgvuldigheid aangewezen dat de arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) met een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) dit beoordelingspunt bespreekt. Uit de arbeidskundige rapporten is niet gebleken dat zo’n overleg over de medische geschiktheid van deze functie heeft plaatsgevonden.

4.2.3.

Ten aanzien van de functie machinebediende inpak-/verpakkingsmachine (SBC-code 271093) wordt overwogen dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML op

24 januari 2014 heeft aangescherpt voor het onderdeel 1.9.9 in verband met het gebruik van Tramadol. Appellante mag niet beroepsmatig autorijden en mag niet werken met gevaarlijke machines. In het meergenoemde arbeidskundig rapport van 13 juni 2014 is gesteld dat bij het werken met gevaarlijke machines moet ‘worden gedacht aan het werken met hout- en metaalbewerkingsmachines, snijmachines, met ronddraaiende delen.’ De inhoudsomschrijving van de functie met SBC-code 271093 in het Resultaat functiebeoordeling (gedingstuk B62.20) bevat onder meer de volgende passage: ‘Snijdt leeslinten met behulp van een snijmachine en diverse kartonnen mallen. (…) Rondt kartonnen banden/omslagen voor de boeken met behulp van een machine. Zit hierbij op een hoge stoel of staat achter de machine.’ Nu in deze functie kennelijk met een snijmachine moet worden gewerkt heeft het Uwv niet overtuigend gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellante wat betreft onderdeel 1.9.9 van de FML niet wordt overschreden.

4.3.

Uit 4.1 tot en met 4.2.3 vloeit voort dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijk gemotiveerde arbeidskundige grondslag. Van de in totaal vier geduide functies zijn de functies met SBC-code 267050 en SBC-code 111220 in medisch opzicht passend. De medische geschiktheid van de functies met SBC-code 315020 en SBC-code 271093 heeft het Uwv echter niet deugdelijk gemotiveerd. Teneinde te komen tot een definitieve beslechting van het geschil wordt aanleiding gezien om, met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht en met inachtneming van de overwegingen 4.1 tot en met 4.2.3 van deze uitspraak, het Uwv opdracht te geven, zo nodig met raadpleging van een arbeidskundig analist, het hiervoor vermelde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het in overweging 4.4 omschreven gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2016.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) L.H.J. van Haarlem

NK