Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:890

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
13/1173 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1173 WAO

Datum uitspraak: 11 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

30 januari 2013, 12/9858 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2014. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. R.G. van den Heuvel, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr.J.H. Ermers.

Ter zitting heeft de Raad het onderzoek geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Op 18 december 2015 heeft opnieuw onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 20 januari 2011 heeft het Uwv appellante per 18 februari 2009 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 1 maart 2012 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante per 2 mei 2012 ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij het bestreden besluit van 26 september 2012 heeft het Uwv het tegen het besluit van 1 maart 2012 door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Aan de hand van de op 27 juli 2012 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van

3 september 2012 geconcludeerd dat appellante niet geschikt is voor het (volledig) verrichten van het eigen werk als administratief medewerkster maar dat zij wel in staat moet worden geacht tot het verrichten van passend werk als assemblage medewerker, telefonisch medewerker planning/telefoniste-receptioniste en dagchauffeur apotheek / route chauffeur / bezorger apotheekproducten. Naar het oordeel van de rechtbank is in de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies actueel zijn en geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante op de in geding zijnde datum. Niet is gebleken dat daarbij de belasting van de functies is gerelativeerd. De geselecteerde functies gaan de belastbaarheid van appellante niet te boven.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij zich in juni 2012 weer ziek heeft gemeld. Zij heeft er hierbij op gewezen dat de klachten aan schouder en teen waarmee zij zich heeft ziekgemeld al op 1 mei 2012 zijn gediagnostiseerd door F.J.A. Schild, orthopaedisch chirurg. Appellante heeft tevens naar voren gebracht dat de functie telefonisch medewerkster door haar gelet op haar beperkingen in hand- en vingergebruik niet kan worden vervuld en tevens dat het gebruik van Tramadol een beperking voor autorijden inhoudt, wat relevant is voor het kunnen vervullen van de geselecteerde functie dagchauffeur apotheek.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het gestelde in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 december 2015, verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4.Het oordeel van de Raad.

4.1.Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is voor twijfel aan de uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten is gemotiveerd welke beperkingen appellante ondervindt voor het verrichten van arbeid en waarom geen reden bestaat meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. In het rapport van 15 december 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat het geleidelijke verergerende verloop en de behandeling van de klachten van appellante geen aanwijzingen biedt voor de stelling dat een licht gebruik van de schouder in mei 2012 niet mogelijk was. In genoemd rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend uiteengezet dat de medische situatie van appellante na 2 mei 2012 gewijzigd is. Aan na die datum opgemaakte rapporten kan appellante dus voor de datum in geding geen rechten ontlenen.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met de rapporten van de arbeidsdeskundige en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht. Voor de stelling dat appellante op de datum in geding geen auto meer mag rijden door haar medicijngebruik zijn geen aanknopingspunten in de beschikbare gegevens te vinden.

4.3.Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.

4.4.

Nu pas in hoger beroep in het rapport van 15 december 2015 een inzichtelijke medische onderbouwing is gegeven is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1238- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1238,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst - Hagen in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2016.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) V. van Rij

JvC