Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
15/3059 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag Schending inlichtingenverplichting. Appellanten hebben niet inzichtelijk gemaakt hoe zij in de kosten van het bestaan vóór de aanvraag hebben voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3059 WWB

Datum uitspraak: 8 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

1 april 2015, 14/2955 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Gürses. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Dinç.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), totdat zij op 18 april 2012 remigreerden naar Turkije. Op 16 mei 2013 is appellante en op 26 september 2013 is appellant teruggekeerd naar Nederland. Op 17 oktober 2013 hebben appellanten bijstand aangevraagd.

1.2.

Bij brief van 21 oktober 2013 heeft het college appellanten verzocht om voor 29 oktober 2013 een aantal gegevens in te leveren. Appellanten hebben hier niet op gereageerd. Bij brief van 17 februari 2014 zijn appellanten nogmaals in de gelegenheid gesteld om de gegevens te verstrekken. Appellanten hebben vervolgens een deel van de gevraagde gegevens overgelegd. Bij besluit van 18 februari 2014 heeft het college appellanten een voorschot van € 1.072,06 verstrekt.

1.3.

Bij besluit van 28 februari 2014 heeft het college de aanvraag afgewezen. Bij afzonderlijk besluit van 28 februari 2014 heeft het college het aan appellanten verstrekte voorschot van

€ 1.072,06 van hen teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 29 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 28 februari 2014 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten niet alle gevraagde gegevens hebben verstrekt. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting kan het college het recht op bijstand niet vaststellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat zij met de overgelegde informatie aannemelijk hebben gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. Appellanten hebben in het kader van een tweede aanvraag van 17 april 2014 dezelfde informatie verstrekt en deze aanvraag is wel ingewilligd. De in onderhavige procedure gevraagde informatie kan dus niet van zodanig belang zijn dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 17 oktober 2013 tot en met 28 februari 2014.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient onder meer duidelijkheid te verschaffen over zijn financiële situatie, zo nodig ook voor de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Het college heeft ter beoordeling van het recht op bijstand bij appellanten gegevens opgevraagd, waaronder bankafschriften voorzien van een begin- en eindsaldo per maand van alle op naam van appellanten staande rekeningen over de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 januari 2014 en een verklaring over de wijze waarop appellanten voorafgaand aan de aanvraag om bijstand in Nederland en Turkije in hun levensonderhoud hebben voorzien.

4.4.

Appellanten hebben overzichten met af- en bijschrijvingen overgelegd van een op hun naam staande [bankrekening 1] en bankafschriften van een per eind november 2013 opgeheven [bankrekening 2] . De via het internet verkregen overzichten van de [bankrekening 1] vermelden echter niet het begin- en eindsaldo per maand. Van de [bankrekening 2] hebben appellanten niet over alle gevraagde maanden bankafschriften overgelegd. Ook in beroep en hoger beroep hebben appellanten deze gegevens niet verstrekt. De bankafschriften van de [bankrekening 1] die appellanten in het kader van de tweede aanvraag van 17 april 2014 hebben overgelegd zijn wel voorzien van een begin- en eindsaldo per maand. Deze bankafschriften zien echter op de voor de tweede aanvraag van belang zijnde periode van

16 oktober 2013 tot en met 23 april 2014. Bankafschriften van de [bankrekening 1] over de periode van 1 mei 2013 tot 17 oktober 2013, die van belang zijn in deze zaak, ontbreken nog steeds.

4.5.

Appellanten hebben voorts niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt op welke wijze zij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in Nederland en Turkije in de noodzakelijke kosten van het bestaan hebben voorzien. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij hebben geleefd van geldleningen van familie en vrienden. Het handgeschreven overzicht van de door appellanten gestelde schulden aan vrienden of familieleden is achteraf opgesteld, betreft leningen die niet zijn gespecificeerd of gedateerd en is niet met verifieerbare stukken onderbouwd.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat onduidelijk is gebleven op welke wijze appellanten in de periode voorafgaand aan hun aanvraag om bijstand in hun levensonderhoud hebben voorzien. Als gevolg van deze schending van de op appellanten rustende inlichtingenverplichting heeft het college het recht op bijstand niet kunnen vaststellen, zodat de aanvraag terecht is afgewezen.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) M. Zwart

HD