Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:884

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
14/5459 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verlaging van de bijstand is ongedaan gemaakt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Appellanten hebben eerst met de in hoger beroep overgelegde gegevens aannemelijk gemaakt dat hun zoon reeds op 1 juni 2013 was verhuisd. Zij hadden de desbetreffende informatie eerder aan het college kunnen verstrekken, zodat het college reeds in eerste instantie het juiste besluit had kunnen nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5459 WWB

Datum uitspraak: 8 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

19 augustus 2014, 14/3872 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)

het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Appellanten zijn verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Heij en

A. Hoogendoorn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen sinds 15 december 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft het dagelijks bestuur de verlaging van 10% op de bijstand van appellanten met ingang van 4 juni 2013 ongedaan gemaakt. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de zoon van appellanten per die datum niet meer bij appellanten inwoont.

1.3.

Bij brief van 30 juli 2013 heeft een consulent van het team terugvordering en verhaal van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (RSD) appellanten een toelichting gegeven op het bij brief van 15 februari 2013 gegeven overzicht van een op naam van appellanten staande vordering.

1.4.

Bij brief van eveneens 30 juli 2013 heeft een medewerker van het bureau Schuldregeling appellanten uitleg gegeven over de achtergrond van de procedure voor het indienen van een aanvraag tot schuldhulpverlening en hen een aanvraagformulier toegezonden.

1.5.

Bij brief van 31 juli 2013 heeft een inkomensconsulent van de RSD gereageerd op de door appellanten bij brief van 25 juli 2013 gestelde vragen.

1.6.

Bij besluit van 28 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen het besluit van 4 juli 2013 en de brieven van 30 en 31 juli 2013

niet-ontvankelijk verklaard. Het dagelijks bestuur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellanten geen belang hebben bij het voeren van een procedure tegen het besluit van

4 juli 2013, omdat dit een begunstigend besluit is. De brieven van 30 en 31 juli 2013 zijn reacties op vragen van appellanten en van informatieve aard. Deze brieven bevatten geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2013 niet-ontvankelijk is verklaard en, zelf voorziend, het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2013 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat de verlaging al met ingang van 1 juni 2013 moest worden beëindigd. Voorts hebben zij aangevoerd dat de brieven van 30 en 31 juli 2013 wel besluiten zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Besluit van 4 juli 2013

4.1.

Ter zitting van de Raad heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de in hoger beroep overgelegde stukken, appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat hun zoon al op 1 juni 2013 was verhuisd en niet langer bij hen inwoonde. De verlaging van de bijstand van appellanten met 10% wegens de inwoning van hun zoon had met ingang van die datum moeten worden beëindigd. Het bestreden besluit wordt op dit punt dan ook niet langer gehandhaafd.

4.2.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep in zoverre slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2013 ongegrond heeft verklaard en heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 4 juli 2013 te herroepen en te bepalen dat de verlaging van de bijstand van appellanten met 10% met ingang van 1 juni 2013 ongedaan wordt gemaakt.

Brieven van 30 en 31 juli 2013

4.3.

Anders dan appellanten hebben betoogd, kunnen de brieven van 30 en 31 juli 2013 niet worden aangemerkt als besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De brieven zijn reacties op verzoeken van appellanten om nadere informatie en zijn niet op enig rechtsgevolg gericht. De bezwaren van appellanten tegen deze brieven zijn dan ook terecht

niet-ontvankelijk verklaard. In zoverre slaagt het hoger beroep niet en zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

Besluitvorming

4.4.

Appellanten hebben in hoger beroep, evenals in bezwaar en in beroep, nog naar voren gebracht dat de besluitvorming van het dagelijks bestuur een vast patroon laat zien. Dat patroon houdt in de visie van appellanten in dat aan hen ten onrechte verwijten worden gemaakt ten aanzien van hun inzet voor re-integratie, dat zij ten onrechte worden beschuldigd van onjuist handelen en dat de juistheid van hun beweringen zonder gegronde reden in twijfel wordt getrokken. Appellanten hebben hun standpunt met betrekking tot het optreden van het dagelijks bestuur en de diverse functionarissen die voor het dagelijks bestuur werkzaam zijn duidelijk naar voren gebracht. Het is, zo hebben appellanten ter zitting van de Raad verklaard, dat optreden en evenbedoeld patroon, wat zij met het indienen van het hoger beroep aan de orde hebben willen stellen.

4.5.

Wat appellanten naar voren hebben gebracht slaagt als beroepsgrond niet. Het door appellanten ingediende hoger beroep kan slechts leiden tot een beoordeling van de aangevallen uitspraak en van het bestreden besluit, waarop die uitspraak ziet. Anders dan appellanten menen kunnen de grieven die zij hebben geuit ten aanzien van het onder 4.4 bedoelde patroon en optreden dan ook niet in het kader van dit hoger beroep worden beoordeeld.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Appellanten hebben eerst met de in hoger beroep overgelegde gegevens aannemelijk gemaakt dat hun zoon reeds op 1 juni 2013 was verhuisd. Zij hadden de desbetreffende informatie eerder aan het college kunnen verstrekken, zodat het college reeds in eerste instantie het juiste besluit had kunnen nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2013

ongegrond is verklaard en is bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde

gedeelte van het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 4 juli 2013 en bepaalt dat de verlaging van de bijstand van

appellanten met 10% met ingang van 1 juni 2013 ongedaan wordt gemaakt;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het

besluit van 28 oktober 2013;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

HD