Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:881

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
15/794 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand omdat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de en/of-rekening en dat appellante nu zij over het tegoed op de en/of-rekening kan beschikken niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Geen beperkingen beschikkingsmacht. Geen sprake van disproportionaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/794 WWB

Datum uitspraak: 8 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 december 2014, 14/3947 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.E. van Lotringen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Appellante, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Van Lotringen en drs. A. Daane. Het college, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris. [naam] , door appellante daartoe meegenomen, is als getuige gehoord.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 19 februari 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een vermogenssignaal dat appellante over vermogen boven het voor haar geldende vrij te laten vermogen beschikt en over een bankrekening met [naam]

(en/of-rekening) beschikt die niet bij het college bekend is, heeft de afdeling Handhaving, controle centrum/oost van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld. Daartoe heeft DWI dossieronderzoek gedaan, bankafschriften opgevraagd, appellante op 12 december 2011 en op 5 januari 2012 verhoord en aansluitend een huisbezoek afgelegd aan het adres van appellante. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 24 februari 2012.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van

8 maart 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juni 2012, de bijstand van appellante met ingang van 5 januari 2012 in te trekken op de grond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de en/of-rekening en dat appellante nu zij over het tegoed op de en/of-rekening kan beschikken niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Bij uitspraak van 15 maart 2013 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 juni 2012 ongegrond verklaard. Appellante heeft geen rechtsmiddelen tegen de uitspraak van de rechtbank aangewend.

1.4.

Bij besluit van 2 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 mei 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 19 februari 2008 tot en met 4 januari 2012 en de kosten van bijstand over de periode van 19 februari 2008 tot en met 29 februari 2013 (lees: 2012) tot een bedrag van € 55.785,86 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, doordat zij kan beschikken over het tegoed op de en/of-rekening, niet verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De intrekking van de bijstand met ingang van 5 januari 2012 staat in rechte vast, zodat de te beoordelen periode loopt van 19 februari 2008 tot en met 4 januari 2012.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Zij was zich niet bewust van het feit dat zij melding had moeten maken van de en/of-rekening, omdat zij deze rekening niet als de hare beschouwde. Daar komt bij dat zij niet de vrije beschikking had over de gelden op de en/of-rekening. Zij heeft slechts opgetreden als beheerder van deze rekening voor [naam] , die als stuurman ongeveer acht maanden per jaar op zee was.

4.3.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is daarin niet geslaagd. Anders dan appellante heeft betoogd is niet van belang om welke reden gekozen is voor een meervoudige tenaamstelling van de rekening. Appellante beschikte gedurende de gehele periode over een betaalpas van de en/of-rekening. Zij kon over het tegoed van deze rekening, waarop het salaris van [naam] werd gestort, beschikken en heeft dat blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende bankafschriften ook daadwerkelijk gedaan. Van belang is dat van enige beperking van de beschikkingsmacht van appellante niet is gebleken. Door van de en/of-rekening geen melding te maken bij het college heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Dat appellante zich niet bewust was van het feit dat zij de en/of-rekening had moeten melden bij het college, baat haar niet. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Voor zover bij appellante twijfel bestond of deze gegevens voor de verlening van bijstand van belang konden zijn, had zij daarin aanleiding moeten zien contact op te nemen met het college om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen.

4.4.

De beroepsgrond van appellante dat het college het vertrouwensbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid heeft geschonden door nog met een terugvordering te komen lang nadat de bijstand met ingang van 5 januari 2012 was ingetrokken, slaagt niet. Het college kan, ook na een periode als hier verstreken, de bijstand intrekken en de kosten ervan terugvorderen indien de bijstand ten onrechte is verleend. Nu appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden, had appellante er rekening mee kunnen houden dat de bijstand ook nog over de periode voor 5 januari 2012 kon worden ingetrokken en teruggevorderd. Bovendien blijkt uit het besluit van 8 maart 2012 niet van een uitdrukkelijke, onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging dat het college niet over zal gaan tot terugvordering van vóór

5 januari 2012 verleende bijstand. Dat bij appellante het gerechtvaardigd vertrouwen zou zijn gewekt dat zij geen rekening meer hoefde te houden met een terugvordering over de periode vanaf 19 februari 2008 kan dan ook niet worden gevolgd. Anders dan appellante heeft betoogd is ook geen sprake van een zogeheten reformatio in peius, aangezien geen sprake is van een heroverweging in bezwaar die tot een nadeliger positie voor appellante heeft geleid, dan wanneer zij geen bezwaar had gemaakt. In het bestreden besluit gaat het om een andere, voorliggende, periode dan in het besluit van 8 maart 2012, waarbij het college de bijstand met ingang van 5 januari 2012 heeft ingetrokken. Voor analoge toepassing van dit beginsel bestaat geen aanleiding.

4.5.

Ten slotte houdt ook de stelling van appellante dat de terugvordering disproportioneel is en daarom niet kan worden gehandhaafd, geen stand. Het terugvorderingsbesluit dateert van

2 januari 2014. Dit betekent dat het college, nu vaststaat dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB gehouden is de bijstand terug te vorderen. In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in het achtste lid van artikel 58 van de WWB. Het beroep dat appellante ter zitting heeft gedaan op een uitspraak van 2 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:797, slaagt evenmin. In die uitspraak ging het om een vermogensvaststelling, terwijl het college in het geval van appellante ervan uitgaat dat appellante kon beschikken over het salaris van [naam] via de en/of-rekening, als gevolg waarvan zij niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) B. Fotchind

HD